In gesprek met een docent Klinische Vaardigheden

In de schijnwerpers staat deze week May, een arts die ervoor koos niet de geneeskunde te beoefenen, maar deze over te dragen aan volgende generaties. In dit interview lezen we meer over haar keuze voor het docentschap in klinische vaardigheden. Ontdek waarom zij koos voor het onderwijs, hoe haar baan eruit ziet, en wat de leukste en lastigste zaken daaraan zijn.

Wat leuk dat je iets willen vertellen over jouw werk! Wat is jouw functie en wat houdt dit in?
Ik ben momenteel docent Klinische Vaardigheden, dat houdt in dat ik geneeskundestudenten aanleer hoe zij lichamelijk onderzoek lege artis uitvoeren en waarom, want we koppelen het natuurlijk aan de (patho)fysiologie. Maar we leren ze ook dingen zoals vena puncties, infusen aanleggen en bijvoorbeeld de opvang van acuut zieke patiënten; eigenlijk alles wat je als vaardigheid moet kunnen uitvoeren als arts.Wat ik net omschreven heb is de basis van deze functie, maar er is nog veel meer mogelijk! Zo zijn er werkgroepen die een nieuw curriculum ontwikkelen of gaan over de internationalisering hiervan. Er zijn collega’s die zich bezighouden met het (simulatie)patiëntencontact voor studenten of die mentor- of tutorrollen uitvoeren. Er is dus heel veel mogelijk. Veel collega’s zijn hiernaast nog actief in de praktijk als bijvoorbeeld bedrijfsarts.

Hoe zien jouw dagen eruit als docent Klinische Vaardigheden?
Dit verschilt enorm. Een normale werkdag start om 9 uur. Dan kan ik bijvoorbeeld in de ochtend een training bewegingsapparaat geven. Hierna kan ik een overleg hebben met één van de werkgroepen waarbij ik aangesloten ben. In de middag kan ik onderwijs geven in patiëntencontact, waarbij ik opgenomen filmpjes van de studenten die een simulatieconsult hebben gehad met hen ga evalueren. Als laatst kunnen we een overleg hebben waarin alle docenten samen zitten om een bepaalde training te evalueren en om te “checken” bij elkaar waar we tegenaan lopen en of er dingen zijn die we zouden willen veranderen in de desbetreffende training. Het verschilt dus elke dag! Wat erg fijn is, is dat er ook ruimte is voor voorbereidingstijd, ik heb bijvoorbeeld tijd nodig om de simulatiepatiëntencontact filmpjes te bekijken. Ook is er, vaak in tegenstelling tot in het ziekenhuis, tijd om te pauzeren – Dit wordt ook aangemoedigd!

Heb je patiëntencontact? En zo nee, mis je dat?
We organiseren trainingen waarbij “echte” patiënten langskomen om hun verhaal te doen, waarbij de studenten de anamnese kunnen oefenen. Dit is natuurlijk anders dan een nieuwe patiënt zien in de praktijk. Op dit moment mis ik het contact nog niet zo erg, maar ik kan mij voorstellen dat dit later wel voor kan komen. Gelukkig heerst er hier een erg open cultuur waarin je dit soort dingen met gemak kan aankaarten. Je zou altijd samen naar een oplossing kunnen kijken waarin je bijvoorbeeld dit werk kan combineren met praktisch werk als arts, zoals veel van mijn collega’s doen.

Doordat je tijdens je studie geneeskunde veelal wordt blootgesteld aan het werk in het ziekenhuis, kreeg ik een (foutief) beeld dat een arts altijd in het ziekenhuis werkt.

Waarom heb je gekozen om niet als arts aan de slag te gaan? Vond je het een lastige keuze?
Het was zeker een lastige keuze. Doordat je tijdens je studie geneeskunde veelal wordt blootgesteld aan het werk in het ziekenhuis, kreeg ik een (foutief) beeld dat een arts altijd in het ziekenhuis werkt. Wat ook niet meehielp, is dat iedereen om mij heen wel leek te weten welk specialisme bij hen pasten. Bovendien heerst er binnen de geneeskunde een enorm competitieve cultuur waarbij je op een manier moet bewijzen dat jij beter bent dan de ander. Ik was tijdens de coschappen gewoon heel gemiddeld, en werd onzeker (en moe) van al mijn studiegenoten die altijd maar aan het vertellen waren over hun promotietrajecten, perfecte beoordelingen en baan-aanbiedingen. Toch, ondanks die onzekerheid en ook jaloezie, voelde ik dat ik helemaal niet hetzelfde wilde doen als hen. Ik moest actie ondernemen om uit te zoeken wat ik zélf wilde en niet maar te doen wat de rest deed.

Ik heb letterlijk en figuurlijk afstand moeten nemen van mijn studentenstad en de “geneeskunde-bubbel” en ben verhuisd naar een andere stad. Daar heb ik een andere master gevolgd, hier en daar in de sociale geneeskunde gewerkt en ben ik een half jaar op reis geweest. Na twee jaar had ik het gevoel dat ik er eindelijk helder over na te kon denken en heb ik mijn hart gevolgd. Onderwijs geven was altijd al een passie van mij, zo gaf ik bijvoorbeeld met veel plezier al seksuele voorlichting tijdens mijn studie. Ik maakte de keuze voor deze baan onder het mom van “stap voor stap”, want je kunt niet voorspellen of je dit voor de rest van je leven gaat doen. Als je ambieert om specialist te worden, wordt dit wel van je verwacht. Je moet alles op alles zetten om daar te komen. Ik merk dat bijvoorbeeld aan vriendinnen die moeite hebben om er een paar maanden tussenuit te gaan, omdat dit slecht op hun CV staat. Ik vind dat zonde van je jeugd, onafhankelijkheid, vrije tijd en vooral je mentale gesteldheid. Ik hoef geen baan waarvoor ik leef, maar ik werk om te leven (en het is mooi meegenomen dat ik mijn baan dan ook nog eens heel leuk vind). Ik merk dat deze instelling vaak gedeeld wordt bij mijn huidige baan en dat ik de ruimte heb om na te denken over hoe ik mijn toekomst verder in wil delen. Ook als ik ooit besluit een andere kant op te gaan, zullen zij de zelfontwikkeling hier alleen maar aanmoedigen.

Je hoort niet vaak dat artsen deze keuze maken. Hoe ben je bij deze functie terecht gekomen?
Ik vond het altijd al leuk om (patho)fysiologie uit te leggen aan mijn niet-medische vrienden. Tijdens mijn studie gaf ik seksuele voorlichting en merkte ik dat ik daar veel energie van kreeg. Toen ik de keuze maakte om het onderwijs in te gaan, was ik op zoek naar vacatures binnen het geneeskunde-onderwijs in Nederland. Deze worden toch vaak intern vergeven dus ik kwam al gauw weer terecht bij de universiteit waar ik ook gestudeerd heb. Achteraf ben ik hier blij mee; ik ken het systeem namelijk en dat maakt deze baan ook een stuk leuker. Als oud-student weet je waar huidige studenten tegenaan lopen.

Het zat mij de afgelopen paar jaar sowieso dwars dat veel fysiologie was weggezakt, en nu word ik betaald om alles bij te spijkeren!

Wat vind je het allerleukst aan jouw baan?
Het studeren. Ik vond het als student altijd leuk om te lezen over fysiologie en nooit erg om voor tentamens te studeren. Ik was iemand die langer de tijd nodig had vergeleken met mijn medestudenten, maar als ik eenmaal klaar was beheerste ik de stof goed en kon ik het ook reproduceren in mijn eigen taal. Daar kreeg ik energie van en dat is eigenlijk wat ik nu doe voor de kost! Voor veel van de lessen die ik geef moet ik namelijk ook weer even de boeken induiken. Het zat mij de afgelopen paar jaar sowieso dwars dat veel fysiologie was weggezakt, en nu word ik betaald om alles bij te spijkeren!

En wat het lastigst, of minst leuk?
Ik ben vrij recent afgestudeerd dus ik kom uit een cultuur waar het werktempo erg hoog ligt. Het is best lastig om af te schakelen naar een wat lager werktempo en niet meteen enorm veel taken op je te nemen. Ik ben er nog niet uit of dit een kwestie van wennen is of dat ik toch verlang naar iets erbij. Bovendien heb ik nog steeds last van onzekerheden, omdat al mijn vrienden in het ziekenhuis werken en ik mij vaak afvraag of ik dat toch ook niet eens moet proberen. Maar als ik dan bedenk hoeveel van mijn vrije tijd (en voor mij dus geluk en plezier in het leven) ik daarvoor op moet geven, ben ik toch blij dat ik ooit de keuze heb gemaakt dat niet te doen.

Als je ook maar een greintje twijfel hebt, is het al de moeite waard om uit te zoeken waar dat vandaan komt.

Tot slot; heb je tips voor (jonge) dokters die twijfelen over hun opleidingskeuze?
Laat je niet leiden door andere studenten die goed in het ziekenhuis passen en daar heel mondig over zijn. Als je ook maar een greintje twijfel hebt, is het al de moeite waard om uit te zoeken waar dat vandaan komt. Uiteindelijk moet jij namelijk leven met de beslissing die je hebt gemaakt. Realiseer je dat de zorg in het ziekenhuis helaas niet meer alleen uit heroïsche taken bestaat, maar je ook moet dealen met een berg administratie, hiërarchie en onregelmatige diensten (dag, spontane uitjes). Tevens kreeg ik tijdens coschappen het gevoel dat bij veel specialisten, basisartsen en studenten het idee heerst dat bijvoorbeeld sociaalgeneeskundigen minderwaardig zijn ten opzichte van artsen die in het ziekenhuis werken. Dat is natuurlijk onzin, laat je daar niet door beïnvloeden! Denk goed na over wat jou gelukkig maakt en laat je niet opjagen door een ander. En misschien nog het belangrijkste: je hebt tijd! Je werkt tot je 67ste, dus je kan echt wel wat jaren nemen om uit te zoeken welke baan bij jou past.

*Op verzoek van de auteur is er gebruik gemaakt van een pseudoniem. De echte naam is bekend bij de redactie. Lijkt jou dit werk ook leuk? Heb je vragen aan de auteur? Stuur ons een berichtje voor contactgegevens.

Medische avonturen over de grens

In Nederland kunnen coschappen soms voelen als een achtbaanrit; iedere paar maanden start je in een nieuw ziekenhuis binnen een nieuw vakgebied met nieuwe collega’s. Voeg daar een intercontinentale vlucht van duizenden kilometers aan toe en niets is meer hetzelfde. In dit artikel nemen je we je mee in de ervaringen van twee studenten die dit jaar een coschap in het buitenland liepen. Ze vertellen je meer over hun onvergetelijke avonturen, medische hoogtepunten en culturele verassingen.

We spreken Sam Bartz (22, Maastricht) en Norman Roozen (24, Leiden). Sam ging voor een keuzecoschap spoedeisende hulp en chirurgie voor 10 weken naar de University of Sains Malaysia, Kota Bharu in Maleisië. Norman was drie maanden in Suriname, voor zijn coschap chirurgie in het Academisch Ziekenhuis Paramaribo.

1. Waarom heb je gekozen voor een coschap in het buitenland?

Sam: ´Omdat ik denk dat het echt een toevoeging is aan je opleiding en je persoonlijke ontwikkeling. Ik vind reizen daarnaast super leuk, ik hou van nieuwe dingen ontdekken. Een coschap lopen in het buitenland is een unieke ervaring die me de kans gaf om de verschillen te zien tussen een Nederlandse gezondheidsinstelling en een Aziatische. Door oudere vriendinnen van me die dit ook gedaan hadden ben ik op het idee gekomen. Zij omschreven dit als een top ervaring waardoor ik dacht; dat wil ik ook!´

Norman: ´Ik ben naar het buitenland gegaan voor een coschap, omdat ik het zelf belangrijk vind om ook te ervaren hoe de zorg is buiten de gebaande, Nederlandse paden. Het LUMC heeft een samenwerking met Suriname voor een paar van de reguliere coschappen, vandaar dat ik daar terecht ben gekomen. Om eerlijk te zijn was het niet een land dat op mijn ‘travellist’ stond voorafgaande aan het coschap, maar ik heb tijdens de drie maanden dat ik er was de charme van dit land echt ontdekt en het heeft een plekje in mijn hart veroverd.´

2. Kun je ons wat meer vertellen over hoe je leven er daar uitzag?

Sam: ‘De eerste twee weken was ik de enige co-assistent op de SEH en dwaalde ik daar wat rond. Later kon ik aansluiten bij een groep studenten uit jaar vijf en bestond de week vooral uit practica en colleges. De laatste 2 weken was ik ook op de OK’s te vinden. Ik woonde in Kota Bharu op de campus van de universiteit samen met vier Maleise meiden met wie ik een woonkamer en keuken deelde. Met een van mijn huisgenootjes at ik regelmatig samen. Er waren ook een aantal andere buitenlandse studenten uit Saoedi Arabië en Oman, maar die woonden ergens anders. Westerse mensen waren er niet in Kota Bharu, ook geen toeristen. Maar op de prachtige Perhentian eilanden (een uurtje rijden en dan met de boot), werd je juist overspoeld met Westerse backpackers. Dat was wel een grappig contrast. Tussen de backpackers voelde ik me dan meer ‘thuis’. Eigenlijk heb ik ieder weekend wel een tripje gemaakt, meestal binnen Maleisië zelf; er was zoveel te zien. Van duiken tot hiken door de jungle en in een grot slapen tot steden verkennen. En ik ben één keer naar Thailand gegaan, Kota Bharu ligt namelijk vlak aan de grens.’

Norman: De dagen in het ziekenhuis begonnen iedere doordeweekse dag om 07.30 met de overdracht. De duur van de dagen varieerde enorm; vaak kon ik vertrekken rond 16.00, maar er waren ook dagen waarop ik pas om 21:15 klaar was door een gecompliceerde operatie of drukte op de afdeling. Thuiskomen was iedere keer weer erg gezellig, aangezien ik met vijf huisgenoten woonde en we veel samen deden met drie andere “studentenhuizen”. De totale groep Nederlandse studenten bestond uit ongeveer twintig personen! Naast het gezamenlijk uiteten en de wekelijkse huisavonden waren de weekendactiviteiten altijd het hoogtepunt. Op enkele weekenddiensten na, stonden de weekenden vaak in het teken van het ontdekken van het binnenland met de groep. Op vrijdagavond of zaterdagochtend vetrokken we dus vaak op trip. Deze tripjes varieerden van ontspannen in het natuurgebied Bigi Pan, bergen beklimmen zoals de Fredberg of Brownsberg, tot zelf jagen en survivallen in de omgeving van de Blanche Marie watervallen. Iedere trip had zijn eigen charmes en er was altijd voldoende gezelligheid met de groep. Op deze manier heb ik ook echt de parels van Suriname kunnen bezoeken.’

“Cultureel gezien viel mij vooral een groot gebrek aan ziekte-inzicht op bij veel patiënten.”

3. Ben je tegen veel culturele of taalkundige uitdagingen aangelopen tijdens dit coschap?

Sam: ´Tegen taalkundige problemen ben ik best wel aangelopen. Van tevoren werd namelijk gezegd dat ze ter plekke Engels zouden spreken, maar dat bleek in de praktijk toch wel tegen te vallen. Vooral patiënten spraken eigenlijk geen Engels. Dat maakte het voor mij lastig om met hen te communiceren, anders dan met gebaren of hele makkelijke woorden, want er was niemand die alles woord voor woord kon vertalen voor mij, daarvoor was het te druk. De artsen spraken op zich wel goed Engels. De overdracht probeerden ze voor mij in het Engels te doen, maar uiteindelijk schakelden ze toch vaak weer onbewust terug naar Maleis.  

Qua cultuur was het ook heel anders. De stad waar ik zat was streng Islamitisch, waardoor ik opviel, omdat ik als één van de weinigen geen hoofddoek droeg. Qua kleding moest ik me wat aanpassen; kleding die in Nederland normaal zou zijn, was hier ongepast. Ook klonken iedere ochtend om zes uur de kreten van de moskee, waar ik in het begin toch ook wel aan moest wennen. Toen ik deze keuze opgaf, wist ik niet dat Maleisië zo’n Islamitisch land was.´  

Norman: ´De voertaal in Suriname is Nederlands, dus op enkele Surinaamse woorden of uitspraken na was dit geen echte uitdaging. Een aantal patiënten sprak Sranantongo of Saramaccaans, maar ook dit leverde eigenlijk weinig problemen op. Vaak waren er namelijk familieleden, verpleging of Surinaamse coassistenten die mij dan met de communicatie konden helpen. Dus de taalkundige barrières vielen veelal erg mee.

Cultureel gezien viel mij vooral een groot gebrek aan ziekte-inzicht op bij veel patiënten. Ik zag bijvoorbeeld een vrouw met uitgezaaide borstkanker die voor de initiële operatie niet was komen opdagen en vervolgens ook niet voor de poliklinische afspraken omdat zij geen klachten meer ervoer. Ook op de afdeling waar veel patiënten met necrotiserende diabetische wonden lagen had het gros niet door dat dit te maken had met hun ongereguleerde bloedsuikers. Vaak wisten ze niet eens dat ze überhaupt diabetes hadden, ondanks dat ze hiervoor wel dagelijks pillen slikten. Natuurlijk is het de taak van de coassistenten en artsen om goede uitleg te geven, maar dit werd vaak niet gedaan.´

“Op de SEH lag bijvoorbeeld iedereen in één grote zaal, op bedjes naast elkaar, terwijl in Nederland iedereen een eigen kamertje heeft.”

4. Wat waren de grootste verschillen tussen het medische systeem en de patiëntenzorg in het buitenland en in Nederland?

Sam: ´Hetgeen dat mij het meeste opviel was dat in Maleisië nog gewerkt werd met papieren patiëntendossiers, terwijl hier in Nederland natuurlijk alles elektronisch gaat. Wanneer een patiënt aankwam op de SEH, moest je eerst op zoek naar de papieren map van deze persoon om zijn of haar voorgeschiedenis op te zoeken. En aangezien doktershandschriften niet altijd even leesbaar zijn, was zelfs wanneer je de map kon vinden, lang niet altijd alles duidelijk.

Een tweede groot verschil was dat alles chaotischer was. Op de SEH lag bijvoorbeeld iedereen in één grote zaal, op bedjes naast elkaar, terwijl in Nederland iedereen een eigen kamertje heeft. Op de poli chirurgie zaten er ook vaak twee patiënten tegelijkertijd in één kamer. Niet alleen hadden de patiënten daardoor veel minder privacy, dit maakte alles ook luidruchtiger en chaotischer.

Tot slot was de medische wereld nog veel hiërarchischer dan bij ons. De specialisten staan echt ver boven de jonge artsen en coassistenten. Hierdoor durven studenten ook niet zomaar vragen te stellen.´

Norman: ´Bijna alles gaat er nog op papier. Recepten, statussen, operatieverslagen… Dat is erg wennen in het begin, en vaak genoeg verlies je daardoor (kostbare) tijd met het zoeken van de juiste map voor de bijbehorende patiënt.

Het grootste verschil was echter het moeten werken met de vele tekorten. We mochten maximaal 2 echo’s per dag aanvragen voor patiënten op de afdeling, en bij een CT-scan was het zelfs zo dat patiënten eerst moesten betalen voordat de scan werd gemaakt. Ook medicatie was schaars. Regelmatig kwam het voor dat wij recepten moesten uitschrijven voor medicatie aangezien die niet in het ziekenhuis meer aanwezig waren. Familie moest dan, als ze überhaupt langskwamen, deze medicatie halen bij een apotheek. Dat was natuurlijk niet altijd mogelijk. Zo werden er ook vaak genoeg kleine ingrepen gedaan zonder lokale verdoving doordat lidocaïne weer een aantal dagen niet op voorraad was. Ook van laboratoriumonderzoek kregen wij vaak incomplete uitslagen, gezien het reagens niet aanwezig was. Dit is zelfs een aantal weken het geval geweest voor de bepaling van het CRP. Aan de andere kant leer je ook wel erg veel van het werken met de tekorten. Wat doe je bijvoorbeeld met een wond na een teenamputatie op de afdeling terwijl het verbandmateriaal op is?  Maandverband en tape werkt ook best goed… Je leert echt roeien met de riemen die je hebt.´

5. Wat is je meest bijzondere ervaring?

Sam: ´De situatie die mij het meest is bijgebleven was een reanimatie op de spoedeisende hulp. Het was voor mij de eerste keer dat ik een reanimatie bijwoonde. Het maakte extra veel indruk, omdat het gebeurde terwijl ik erbij stond. Ik was bij de patiënt die op de SEH was wegens een groot hartinfarct, en ineens kreeg ze een soort epileptische aanval waarna ze buiten bewustzijn raakte.´

Norman: ´Een van de mooiste meest waardevolle momenten die me bij blijft was een gesprek met een zestigjarige vrouw met een ernstige infectie van een diabetische voet. Deze infectie breidde uit ondanks antibiotica en adequate wondverzorging, waardoor de volgende en laatste stap een onderbeenamputatie zou zijn. Hiervoor moest mevrouw uiteraard eerst toestemming geven. Tijdens de ochtendvisite werd haar dit medegedeeld en door alle emoties die daarbij vrij kwamen gaf zij aan deze behandeling niet te willen ondergaan. Dit alles gebeurde in een gesprek met de zaalarts van nog geen drie minuten. Na de ochtendvisite en na de meest urgente handelingen op de afdeling ben ik teruggegaan naar de patiënt om samen met haar te gaan zitten om het er nog een keer over te hebben. Hier werd zij wederom emotioneel; ze had ontzettend veel vragen. Geduldig besprak ik alles met haar, en we spraken af dat ik later op de dag terug zou komen, zodat ze nog wat bedenktijd had. Die middag hebben we nog een keer het hele traject doorgelopen van de anesthesie, operatie, pijnstilling tot revalidatie, waarna zij akkoord gaf voor de operatie. De ochtend erna werd de amputatie met succes verricht. Enkele dagen later kon zij in goede conditie worden ontslagen. In de weken daaropvolgend ben ik de patiënt en haar partner meerdere keren tegengekomen tijdens poliklinische controles en de dankbaarheid die zij had was enorm. Ze stelde het ontzettend op prijs dat ik de tijd voor haar had genomen en de waarde hiervan werd mij door dit voorbeeld erg duidelijk.´

6. Wat vond je het meest waardevol aan je coschap in het buitenland, zowel op persoonlijk als professioneel vlak?

Sam: ´Op persoonlijk vlak merk ik dat ik zelfstandiger ben geworden en veel heb geleerd van andere culturen. Ik mocht meemaken hoe ze feestdagen vieren in Kota Bharu met veel eten (en absoluut geen alcohol). Ik ben bevriend geraakt met Islamitische, Hindoeïstische en Christelijke meiden, die me vertelden hoe zij hun geloof uitoefenden. 

Medisch gezien heb ik het meest geleerd van de practica over trauma opvang van patiënten en het maken van een bedside echo, omdat ik dit gedurende mijn opleiding in Nederland nog niet echt behandeld had. Verder kon ik daar helaas niet echt zelfstandig te werk gaan, ik kreeg geen verantwoordelijkheden en kreeg moeilijk contact met patiënten door de taalbarrière.´

Norman: ´De verantwoordelijkheid die je hier krijgt. Je hebt niet het gevoel dat je ‘maar een coassistent bent.’ Je staat daadwerkelijk aan het front van de zorg. Tijdens de operaties ben je de operatieassistent en sta je dus altijd steriel. Mocht er geen coassistent zijn ingedeeld of is die afwezig, dan is er een reële kans dat de operatie niet door kan gaan. Daarnaast manageden coassistenten de afdeling na de ochtendronde. Als er problemen waren, probeerden we die eerst zelf op te lossen, en pas wanneer het echt nodig was belden we de zaalarts of chirurg in de hoop dat je die op tijd te pakken zou krijgen. Je leert dus echt hard en zelfstandig werken. Persoonlijk weet ik bijna zeker dat ik hierdoor een stuk beter ben voorbereid op het werken als ANIOS in de toekomst in vergelijking met wanneer ik dit coschap in Nederland gelopen had.´

“Doordat er zo ontzettend veel tekorten in Suriname waren leer je wel erg goed klinisch redeneren, triëren en out of the box denken.”

7. Is er iets wat je mee terug wil nemen naar Nederland, dat je in het buitenland geleerd hebt?

Sam: ´De discipline van de studenten. In Nederland heerst natuurlijk echt de studentencultuur met veel feestjes en weinig contacturen. Je merkt dat studenten in Maleisië hun studie serieuzer nemen en er meer tijd aan besteden.´

Norman: ´Vooral het besef dat wij het hier echt ontzettend goed hebben. Niet alleen met voldoende goed geschoolde zorgmedewerkers, maar al helemaal met alle voorzieningen. In Nederland is er geen gebrek aan hechtdraden, medicatie, beeldvormende onderzoeksmogelijkheden en wondbehandelingsmiddelen. Doordat er zo ontzettend veel tekorten in Suriname waren leer je wel erg goed klinisch redeneren, triëren en out of the box denken. Algemeen lichamelijk onderzoek is daar nog meer van belang, daarnaast moet je ook je creativiteit inzetten door bijvoorbeeld zelf spalkjes in elkaar te knutselen.´ 

8. Heb je plannen om in de toekomst nog meer ervaringen in het buitenland op te doen?

Sam: ´Ik weet nog niet zeker of ik mijn tweede keuzecoschap in het buitenland wil doen. Ik wil graag nog een coschap lopen bij de plastische chirurgie, dus het hangt er vanaf waar ik dat kan doen. Het lijkt me echter ook wel erg waardevol om te zien hoe dat in Nederland gaat. In het buitenland doe je het toch meer voor de ervaring, waar je in Nederland wellicht meer leert over het vakgebied en een ziekenhuis waar je misschien later zelf wil gaan werken. Wel lijkt het me leuk om later nog een periode te werken in een ander land en zo kennis uit te wisselen!´

Norman: ´Zeker weten! Ik heb gemerkt hoeveel je kan bijdragen aan de zorg in het buitenland. Helemaal mooi lijkt het mij om in de (verre) toekomst niet alleen hulp in het buitenland te verlenen, maar ook om de kennis te delen die wij hier in NL allemaal al hebben opgedaan met ons vooruitstrevende zorgsysteem. Ook weet ik zeker dat je er zo veel voor terugkrijgt, en dan heb ik het niet over waardering, maar ook over kennis van andere ziektebeelden bijvoorbeeld. Daarnaast leer je een land echt van de andere kant kennen.´

“Aan het begin voelde ik me soms alleen, maar uiteindelijk kom je daaroverheen en leer je er erg veel van.”

9. Welke adviezen zou je geven aan andere medische studenten die overwegen om een coschap in het buitenland te doen?

Sam: ´Ik zou andere medische studenten allemaal aanraden om naar het buitenland te gaan. Als je het wat spannender vindt, dan kun je misschien samen met een medestudent gaan. Maar ik denk dat juist alleen gaan echt een toevoeging is; daardoor duik je veel meer in de nieuwe cultuur en leer je meer nieuwe mensen kennen. Aan het begin voelde ik me soms alleen, maar uiteindelijk kom je daaroverheen en leer je er erg veel van. Dus ik zou het zeker aanraden! Zoek van tevoren wel wat op over bijvoorbeeld de taal en cultuur, zodat je weet waar je voor kiest en op een plek terecht komt die aansluit bij jouw verwachtingen.´

Norman: ´Bewaak je grenzen en blijf dicht bij jezelf. In het buitenland mag je als coassistent over het algemeen een stuk meer dan in Nederland. Praktische vaardigheden kan je echt in veelvoud leren, maar niet alles wat mag moet je ook willen. Wordt er van je gevraagd om een bepaalde handeling te verrichten maar voel je je daar niet bekwaam of onzeker bij; geef dat aan. Dit betekent dus ook dat je wel stevig in je schoenen moet staan. Mogelijk krijg je hier en daar een zucht of een kreun terug, maar met de zelfstandigheid en verantwoordelijkheid die je daar krijgt, is het extra van belang om de grens voor jezelf te kennen en deze aan te geven.´ 

Zorg die anders kan: Groene veranderenergie

Onder de noemer ´Zorg die anders kan´ zullen we op deze website verschillende mensen spreken en initiatieven belichten die laten zien dat zorg vaak efficiënter, leuker, makkelijker of gewoon anders kan. Deze week ga ik in gesprek met Egid van Bree over verduurzaming van de zorg en veranderenergie. Hij heeft geneeskunde gestudeerd in Maastricht en is ondertussen werkzaam als arts-onderzoeker in het LUMC, waar hij zich bezighoudt met duurzaamheid van eHealth. Hij is daarnaast actief als stuurgroeplid van de Groene Zorg Alliantie.

Egid vertelt: “Ik denk dat mijn interesse voor het thema verduurzaming van de zorg al is ontstaan tijdens mijn bachelor. Ik raakte toen betrokken bij een internationale studentenorganisatie die zich onder andere bezighield met de Duurzame Ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties. Toen ik daarna weer verder ging met geneeskunde, verbaasde het mij dat duurzaamheid in onze opleiding nog helemaal geen topic leek te zijn; het ging ineens alleen nog maar over ziektes en het genezen daarvan.

Één casus uit mijn eerste coschap chirurgie is me altijd bijgebleven: een demente dame van in de negentig die haar heup had gebroken. Zonder enige twijfel werd besloten dat ze zou worden geopereerd. Dat ze een paar dagen later zou overlijden hadden we vooraf misschien niet kunnen weten, maar er was überhaupt niet gesproken over een andere optie dan opereren. Het zette mij aan het denken: waarom bevragen we niet wat kritischer wat we aan het doen zijn? Waarom wordt er bij het aanvragen van diagnostiek altijd zo makkelijk gezegd: ‘Baadt het niet, dan schaadt het niet’? Ondertussen werd duurzaamheid in de maatschappij een steeds groter thema, dus waarom dan niet in de zorg? Thuis plastic scheiden, maar op het werk alles in een grote container gooien waarna alles wordt verbrand. Dat stootte mij – en een hoop andere zorgprofessionals – tegen het zere been.

Tijdens mijn coschappen zag ik online een vacature voorbijkomen voor het bestuur van De Geneeskundestudent. Op hun website zag ik dat er een werkgroep duurzaamheid bestond. Als ik nu op mijn sollicitatiebrief terugkijk, lijkt het eigenlijk meer op een betoog over wat zij allemaal met het thema duurzaamheid zouden moeten doen. De conclusie van het sollicitatiegesprek was dan ook: “Dan kom je het zelf toch doen?”. En zo geschiedde. Vanuit die positie kwam ik steeds meer mensen tegen die zich ook met dit thema bezighielden en vormden we een beweging van (toekomstige) zorgprofessionals die met vergelijkbare frustraties en vragen rondliepen.

“Veranderenergie werkt aanstekelijk en het is inspirerend om te zien dat er steeds meer mensen gewoon vanuit zichzelf ergens mee beginnen.”

Vanuit die groep mensen is twee jaar geleden op een organische manier de Groene Zorg Alliantie ontstaan. Het gaf energie om te zien hoe ieder al bezig was met het verduurzamen van de zorg en om elkaar te versterken. Wat begon met ongeveer 10 groepjes, is inmiddels uitgegroeid tot meer dan 100 green teams en 40 landelijke commissies. Veranderenergie werkt aanstekelijk en het is inspirerend om te zien dat er steeds meer mensen gewoon vanuit zichzelf ergens mee beginnen. Wij proberen al die initiatieven als Groene Zorg Alliantie dan weer met elkaar te verbinden. Zo organiseren we bijvoorbeeld één keer per jaar het Groene Zorg Festival met als slogan “vieren dat het anders kan”. Online wisselen we zoveel mogelijk kennis en ervaringen met elkaar uit, maar denken ook na over manieren om de veranderenergie zo goed mogelijk te gebruiken. De kracht zit erin dat iedereen mee mag doen. Er zijn geen harde eisen om een green team of commissie op te starten, als je maar een bijdrage levert aan gezondheidsbevordering en verduurzaming van de zorg.   

Een duurzame zorgsector is meerledig. Enerzijds moeten we de voetafdruk van de zorgsector zelf verkleinen. Dat kunnen we doen door ons kritischer af te vragen welke dingen die we nu doen eigenlijk weinig tot geen toegevoegde waarde hebben, maar wel een milieu impact. Daarbij kun je kijken naar het aanvragen van onnodige diagnostiek, overbehandeling met medicatie of operaties, maar ook naar het afval dat we als sector creëren en hoe we daarmee omgaan. Aan de andere kant gaat verduurzaming van de zorg ook om het bevorderen van een gezonde leefomgeving, want klimaatverandering heeft onverbiddelijk gezondheidsgevolgen. Waarom mag er nog reclame worden gemaakt voor fossiele bedrijven, terwijl we weten dat door schadelijke deeltjes in de lucht mensen ziek worden? En waarom vinden we het normaal om een patiënt die geopereerd is aan darmkanker daarna weer rood vlees voor te schotelen in het ziekenhuis in plaats van een plantaardige optie?

Als Groene Zorg Alliantie zijn we dan ook niet alleen bezig met het verbinden van vergroenende initiatieven, maar proberen we ook actief aan te jagen. Daarbij denken we na over hoe we op strategische plekken de stem van zorgprofessionals het beste kunnen vertegenwoordigen. Wie zijn goede gesprekspartners? En wat zijn nieuwe plekken waar we als zorgprofessionals over het gezondheidsbelang van klimaatactie moeten laten horen? Zo geven we ook input op het mondiale klimaatbeleid en organiseren we een zorgblok tijdens de klimaatmars.

“De dokter van de toekomst bestaat nog niet en we kunnen zelf bepalen hoe die eruit gaat zien.”

Ook als geneeskundestudent of als beginnend arts kun je aan deze verandering bijdragen als je merkt dat dit iets is waar jij je graag voor wil inzetten. Bewustwording van de relatie tussen duurzaamheid en de zorg begint namelijk al tijdens onze opleiding. Je kan jezelf bevragen: ‘Waar in mijn onderwijs krijg ik iets te horen over de gezondheidseffecten van klimaatverandering? En krijg ik handvatten om me in te zetten voor leefstijl- of gedragsverandering?’ Ik denk dat er een mooie rol voor studenten ligt om hier eigenaarschap in te pakken en te zeggen: ‘Ik vind dit belangrijk en ik wil jullie helpen om dit te veranderen.’ Daarnaast zit je als coassistent of ANIOS in een unieke positie doordat je veel verschillende werkplekken ziet. Met een frisse blik kom je iedere keer weer in een nieuwe setting terecht. Tijdens onze opleiding leren we over vectorziektes, ziektes die door bepaalde organismen (vectoren) verspreid worden. Ik zie ons als studenten ook als vectoren in de zorg, maar dan om duurzame oplossingen te verspreiden van de ene naar de andere afdeling; van ziekenhuis A naar ziekenhuis B.

Vaak wordt er gesproken over de arts van de toekomst en nagedacht over hoe die eruit zou moeten zien. Het is daarbij belangrijk om je te realiseren dat er nu nog niemand is die precies invulling geeft aan dat toekomstbeeld. De dokter van de toekomst bestaat nog niet en we kunnen zelf bepalen hoe die eruit gaat zien. Dat kan lastig zijn, maar biedt ook kansen. We moeten ons eigen pad creëren en ik geloof er erg in dat dat het beste gaat door de dingen te doen die ons energie geven; of dat nou duurzaamheid is of iets anders. Als je doet wat je energie geeft, heb je de kracht om te veranderen.”

Zorg die anders kan: Onthamster de Zorg met Stichting Zorgmakers

Onder de noemer ´Zorg die anders kan´ zullen we op deze website de komende tijd verschillende mensen spreken en initiatieven belichten die laten zien dat zorg vaak efficiënter, leuker, makkelijker of gewoon anders kan. Als eerste spreken we deze week Sarah van der Lely, die samen met Veerle Smit en Rob van der Kolk achter Stichting Zorgmakers zit. Ze vertelt ons meer over de oorsprong en doelen van hun stichting, maar vooral ook over hun nieuwe initiatief dat woensdag 12 april gelanceerd wordt!

Sarah vertelt: “Tijdens mijn coschappen kwam ik erachter dat de manier waarop we zorg verlenen aan patiënten erg afhankelijk is van de manier waarop het zorgsysteem georganiseerd is. Als ik vragen stelde over hoe dingen in elkaar zaten, kreeg ik vaak een antwoord als: ‘Ach, laat maar zitten. Daar kun je toch niets aan veranderen.’ Dat frustreerde me, aangezien ik nog 40 jaar in dit zorgsysteem moest werken. Daarom besloot ik het zelf uit te zoeken. Ik kwam er in mijn zoektocht achter dat het systeem vaak best logisch bedacht is, maar er een aantal dingen zijn die gewoon niet met de praktijk overeenkomen. Meerdere mensen om mij heen waren benieuwd naar hoe het systeem in elkaar zat, dus bedacht ik om er een documentaire over te maken. Dat werd een documentaire over het Slotervaartziekenhuis, dat failliet ging terwijl ik daar coschappen liep.

Een paar jaar later toen de coronacrisis begon liep ik het coschap ziekenhuismanagement bij de Raad van Bestuur van het AMC. In de maatschappij werd covid toen nog niet heel serieus genomen, maar in de Raad van Bestuur was het al een groot thema op de agenda. Toen een paar weken later het land op slot ging leek het mij heel interessant om een documentaire te maken over de beslissingen die op dat moment gemaakt werden op bestuurlijk niveau in de zorg. Het is achteraf altijd makkelijk om te oordelen over beslissingen, maar daarom juist zo relevant om op het moment zelf de overwegingen vast te leggen. Uiteindelijk mocht ik Rob van der Kolk volgen en daarover een documentaire maken. Rob was gevraagd om de landelijke inkoop van mondkapjes te leiden. Toen ik daar aan kwam, was het één grote georganiseerde chaos waarbij mensen van alle kanten binnenkwamen en direct aan het werk gingen. Iedereen werkte samen: de ziekenhuizen, de bedrijven die normaal de mondkapjes importeren, de KLM en het ministerie. Het was een groep mensen met een geweldige oplossingsgerichte mentaliteit. In plaats van dat er maanden overheen gingen om beslissingen te nemen, konden die in kleine overleggen in een kwartier ineens worden genomen. Dat was heel inspirerend om te zien. Daar waar mijn eerste documentaire ging over de gevolgen van marktwerking in de zorg, wilde ik met deze tweede documentaire laten zien dat er een alternatief is, namelijk samenwerking.

Zo inspirerend als het was om tijdens de coronacrisis te zien hoe goed er werd samengewerkt en hoe snel verbeteringen werden doorgevoerd en gedeeld, zo teleurstellend was het om te zien hoe snel alles na de crisis terug naar het oude ging. Toen ik achteraf hierover napraatte met Rob, realiseerden we ons wat een bijzondere tijd het was geweest. Er was zoveel ruimte geweest voor verbetering vanaf de werkvloer, voor het delen van oplossingen en voor creativiteit. Hoe kon het dat het nu wel was gelukt en normaal niet? Moesten we daar niet iets mee doen? Met Veerle, die ik al kende vanuit mijn coschappen, had ik al het idee van Zorgmakers. We besloten met zijn drieën een stichting op te richten met deze naam.

Met Zorgmakers willen we graag de creativiteit en oplossingsgerichtheid die tijdens de coronacrisis was ontstaan proberen vast te houden. Er zijn al zo veel goede oplossingen in de zorg, wat nou als we wat meer van die oplossingen van elkaar zouden kopiëren? Het viel ons op dat er nog geen echte plek bestond om goede ideeën te delen; een soort pubmed voor oplossingen. Die hebben wij daarom gebouwd op onze website. Ons doel is om mensen oplossingen uit andere zorginstellingen te laten zien, zodat zij deze kunnen ‘na-apen’. Verder hopen we op een creatieve manier het gesprek over oplossingen en problemen in de zorg op te starten. Dat hebben wij bijvoorbeeld ook gedaan met ‘de Paarse Krokodil’, een negen meter lange opblaaskrokodil die van zorginstelling naar zorginstelling door het land gaat, en symbool staat voor hoeveel ruimte de bureaucratie in de zorg inneemt.

 In mijn huidige functie als arts-assistent kindergeneeskunde ben ik ook regelmatig bezig met verbeterprojecten. Laatst had ik een gesprek met een van de kinderartsen. Zij zei tegen me: ‘Als je dingen verbetert moet je oppassen dat je niet alleen het rad efficiënter maakt, maar dat de hamster er ook af en toe uit kan.’ Die metafoor bleef in mijn hoofd zitten. Elke keer als ik vervolgens weer achter mijn computer taken zat te doen, voelde ik me een hamster in een rad. Met dat idee zijn we aan de slag gegaan. We willen dat mensen vaker stilstaan bij de vragen: Hoe ziet mijn werk er nu uit, en hoe zou ik willen dat het eruit zou zien? Hoeveel van de taken die ik op een dag doe zijn nou echt taken waarvoor ik in de zorg ben gaan werken? En hoe zorg ik ervoor dat ik meer van dát soort taken kan doen? Uiteindelijk zijn wij als zorgmedewerkers degenen die samen de zorg maken, maar vaak kijken we voor oplossingen naar de mensen die rapporten schrijven. Dat is eigenlijk heel onlogisch, want die staan niet met ons op de werkvloer. Met onze stichting en initiatieven delen we problemen en oplossingen in de zorg op een manier die creatief is en niet te veel tijd kost; precies zoals we willen dat het in de zorg zelf ook zal gaan.”

Op woensdag 12 april, Wereld Hamster Dag, zal de lancering van ‘Onthamster de Zorg’ plaatsvinden. Houd hiervoor de LinkedIn pagina en het Instagramaccount van Zorgmakers in de gaten. Nieuwsgierig naar meer van hun initiatieven en oplossingen? Neem dan zeker ook een kijkje op www.zorgmakers.com

Zorg die anders kan

Arts-assistenten die hun dagen vullen met administratie en telefoontjes. Specialisten die het niet eens worden over op welke afdeling een patiënt moet worden opgenomen. Het nabellen van andere gezondheidsinstellingen om patiëntdossiers compleet te maken (beter bekend onder de noemer “leuke klusjes voor de co”). In geen andere sector wordt het woord ‘multidisciplinair’ zo veel gebruikt en tegelijkertijd zo weinig benut. Er heerst een zekere mate van inefficiëntie in het ziekenhuis.

Maar niet alleen binnen de muren van het ziekenhuis kennen we dit probleem. Sterker nog, die muren zijn (figuurlijk dan) onderdeel van het probleem. Het zorgsysteem is zo groot en complex geworden dat er te veel verschillende muren en deuren zijn. En als wij al niet meer weten wie we moeten bellen voor welke informatie, hoe kunnen we dan verwachten dat patiënten weten op welke deuren ze moeten kloppen? Er lijkt daarnaast sprake van een soort paradox; hoe meer zorg patiënten nodig hebben, hoe minder deuren er voor hen open gaan; ze worden van het kastje naar de muur gestuurd. Termen als ‘ontschotting van de zorg’ en ‘integrale zorg’ vliegen ons om de oren, maar blijken makkelijker gezegd dan gedaan. We zien door de bomen het bos niet meer. Door alle kleine stukjes ziekte zien we de patiënt niet meer, en door alle muren is de ingang zoek.

Het zal geen nieuwe informatie zijn dat tegelijkertijd de druk op het zorgstelsel alleen maar groter wordt. Het aantal mantelzorgers daalt, de personeelstekorten worden groter en de levensverwachting, en daarmee het aantal ouderen en zieken, neemt alleen maar toe. Als er niets verandert aan de manier waarop we onze zorg organiseren zal in 2040 één op de vier mensen in de zorg moeten werken. Zorg moet dus anders, en mede door de COVID-crisis hebben we gezien dat heel veel zorg ook anders kan. Zo wordt er bijvoorbeeld steeds meer gebruik gemaakt van digitalisering, denk daarbij aan beeldbelafspraken of mobiele apps die patiënten op afstand helpen of monitoren. Ook samenwerking krijgt de laatste jaren meer aandacht; binnen het ziekenhuis, maar ook daarbuiten, tussen verschillende zorgorganisaties, gemeenten en het sociale domein.

Dokters die het anders doen zijn ook dokters die kijken hoe zorg anders kan. Daarom lijkt het ons leuk om op deze website de komende tijd vaker stil te staan bij initiatieven die hieraan bijdragen. Zo hoeft hopelijk niet iedereen het wiel opnieuw uit te vinden, is dat niet efficiënt? Het is in ieder geval een klusje dat ik als co graag doe.

In gesprek met een AIOS Musculoskeletale Geneeskunde

Deze week gaan we in gesprek met AIOS Musculoskeletale Geneeskunde Stephan Oosterbosch. Musculoskeletale Geneeskunde is een vakgebied dat zijn oorsprong reeds vond in 1965, toen een Amsterdamse huisarts de basis hiervoor legde. Tegelijkertijd is het een vakgebied dat voor velen nog onbekend is. En daar moet verandering in komen als je het Stephan vraagt. Hij vertelt ons graag meer over zijn werkzaamheden, opleiding en waarom hij deze keuze heeft gemaakt.

Wat leuk dat je iets wilt vertellen over jouw werk! Zou je ons allereerst kunnen uitleggen wat musculoskeletale geneeskunde precies inhoudt?
“Binnen de musculoskeletale geneeskunde kijken we voornamelijk naar de houding en functie van het bewegingsapparaat. Het is ontstaan vanuit dokter Sickesz, een huisarts uit de vorige eeuw. Zij zag in haar praktijk veel mensen met klachten van het bewegingsapparaat, die vaak niet of maar voor korte tijd verholpen konden worden. Ze ging op zoek naar een behandelmethode die mensen voor langere tijd zou kunnen helpen. Zo vond ze bij mensen met vaak relatief eenvoudige rugklachten bepaalde standsafwijkingen van bekken, wervelkolom en extremiteiten. Door deze, vaak functionele, standsafwijkingen kan het zo zijn dat de wervelkolom minder goed functioneert en het zenuwstelsel ter hoogte van de wervel wordt geprikkeld. Mensen die bij ons komen hebben vaak last van rug- of nekklachten, maar ook van schouder-, elleboog-, knie- of enkelklachten. Voor het goed functioneren van de wervelkolom is het belangrijk dat de wervels met het bekken één bewegingsketen vormen. Daarom behandelen we mensen in een systematische volgorde, waarbij bekken, rug en extremiteiten worden behandeld in om en nabij vijf behandelingen. Tijdens deze behandelingen maken we gebruik van mobiliserende technieken, waarmee we disbalans en klachten die gepaard gaan met spierspanningen proberen op te heffen. Door mensen in die keten te behandelen kun je vaak niet alleen de rugklachten maar ook andere klachten die mensen hebben verhelpen.”

Hoe verhoudt het zich tot andere vakken die zich bezighouden met het bewegingsapparaat, zoals orthopedie of fysiotherapie?
“De patiëntenpopulatie die wij zien zijn veelal al bij de fysiotherapeut, manueel therapeut, osteopaat, neuroloog, orthopeed en revalidatiearts geweest. Ze hebben vaak een lang traject doorlopen en zijn nog steeds niet van hun klachten af. Musculoskeletale geneeskunde heeft met veel van deze vakken raakvlakken, maar wij kijken op een andere manier. Waar binnen andere vakken vaak meer lokaal wordt gekeken waar de pijn zit, om vervolgens ook daar te behandelen, proberen wij het lichaam als een keten te zien. Door ruimer naar het lichaam te kijken, en het niet te zien als losse diagnoses maar als een keten die je probeert beter te laten functioneren, zie je dat een groot deel van de pijnklachten op lange termijn te verbeteren of te verhelpen zijn. Anders dan bij de meeste specialismen in het ziekenhuis hoeven wij patiënten niet altijd door te sturen, maar geven we zelf de behandeling. Dit kan door middel van mobilisaties, het voorschrijven van medicatie of het meegeven van houding- en beweegadviezen.”

“Ik werkte naast mijn coschappen al in een MSK praktijk, en vond het mooi om te zien dat ik echt iets voor mensen kon betekenen. Dat is waarvoor ik dokter wilde worden.”

Hoe kwam je erbij om te kiezen voor musculoskeletale geneeskunde, was het een lastige keuze? 
“Ik wist al van jongs af aan dat ik geneeskunde wilde studeren. Toen ik eerst uitgeloot werd, koos ik ervoor om fysiotherapie te studeren. Ik wist namelijk al dat ik met het bewegingsapparaat bezig wilde zijn. Na mijn opleiding tot fysiotherapeut werd ik alsnog ingeloot voor geneeskunde. Doordat mijn vader MSK (musculoskeletaal) arts is, wist ik niet alleen al wat het vak inhield, maar had ik ook al vaak gezien wat voor effecten musculoskeletale geneeskunde bij patiënten teweeg kon brengen. Tijdens mijn coschappen merkte ik dat rugklachten bij de orthopedie vaak moeilijk konden worden verholpen. Ik werkte toen naast mijn coschappen al in een MSK praktijk, en vond het mooi om te zien dat ik echt iets voor mensen kon betekenen. Dat is waarvoor ik dokter wilde worden.”

Hoe ziet de sollicitatieprocedure voor de opleiding eruit, is het lastig om een plek te bemachtigen? 
“Om te solliciteren voor een opleidingsplek moet je allereerst een sollicitatiebrief schrijven. Vervolgens word je al dan niet uitgenodigd op een sollicitatiegesprek. Of je meteen wordt toegelaten is mede-afhankelijk van je vooropleiding. Het is natuurlijk handig om voorkennis te hebben van het bewegingsapparaat of het zenuwstelsel. Ik kon meteen na mijn geneeskunde-opleiding starten omdat ik ook fysiotherapie heb gestudeerd, maar in principe wordt er wel verwacht dat een sollicitant 1 tot 2 jaar klinische ervaring heeft als ANIOS. Er starten ook huisartsen, SEH-artsen of orthopeden aan de opleiding, die kunnen hun opleiding dan vaak inkorten. Op dit moment starten er jaarlijks 5 artsen aan hun opleiding tot MSK arts. Het beroep is helaas nog vrij onbekend. Dat is lastig en erg jammer, want ik denk dat het beroep van onmiskenbare waarde kan zijn voor mensen met klachten aan het bewegingsapparaat.”

“Ik denk dat als patiënten eerder naar ons doorverwezen zouden worden, er gerichter behandeld en/of doorverwezen kan worden naar het juiste specialisme.”

En hoe zien jouw dagen eruit als musculoskeletaal arts in opleiding? 
“Iedere week zit ik op twee verschillende werkplekken. Twee dagen zit ik in een ‘normale’ MSK-praktijk, waarbij ik bezig ben met het behandelen van standsafwijkingen. Daarnaast werk ik twee dagen op de Rugpoli. De Rugpoli is een vorm van anderhalvelijnszorg, waarin we in een multidisciplinair team bestaande uit onder andere MSK-artsen, orthopeden, neurologen en reumatologen de meer complexe casussen zoals herniaties en stenoses behandelen. Elke Rugpoli heeft zijn eigen MRI, waardoor we na verwijzing van de huisarts zelf aanvullend onderzoek kunnen aanvragen en beoordelen.

Met die multidisciplinaire teams proberen we de druk op de zorg een beetje af te laten nemen. Vaak worden patiënten met rugklachten meerdere keren doorgestuurd; van de huisarts naar de fysiotherapeut, terug naar de huisarts, naar de orthopeed.. enzovoort. Patiënten komen vaak pas bij een MSK arts terecht nadat ze al veel andere specialisten hebben gezien en nog niet van hun klachten af zijn. Ik denk dat als patiënten eerder naar ons doorverwezen zouden worden, er gerichter behandeld en/of doorverwezen kan worden naar het juiste specialisme. Naar MSK-praktijken worden mensen helaas nog weinig doorgestuurd vanuit de huisarts of het ziekenhuis. Mensen komen daar vooral via mond-op-mondreclame. Bij de Rugpoli is dat anders. In sommige ziekenhuizen is het tegenwoordig zelfs zo dat mensen niet door de neurochirurgie worden geopereerd voordat ze bij de Rugpoli zijn geweest.”

En hoe ziet de rest van de opleiding eruit? 
“De opleiding tot MSK-arts duurt in totaal 2 jaar. Naast twee dagen in een gewone MSK-praktijk en twee dagen op de Rugpoli heb ik één dag in de week tijd voor zelfstudie en opdrachten. In jaar 2 kom ik op twee nieuwe werkplekken terecht. Ongeveer één keer per maand is er een cursusdag, waarop er aandacht wordt besteed aan variërende medische onderwerpen. Iedere cursusdag komt anatomie, arthrokinematiek en oefencasuïstiek aan bod, maar oefenen we ook met klinisch redeneren en lichamelijk onderzoek. De cursusdagen zijn grotendeels in Bilthoven. Omdat ik relatief ver moet reizen naar mijn werkplekken, heb ik er recent voor gekozen om terug te gaan naar drie werkdagen in plaats van vier per week, waardoor ik enkele maanden langer over mijn opleiding zal doen.”

Je krijgt van veel andere specialismen, zoals de neurologie, orthopedie, sport- en revalidatiegeneeskunde dingen mee, maar blijft toch gefocust op het grotere plaatje.

Wat vind je het allerleukst aan jouw baan?
“Ik vind het belangrijk dat de kwaliteit van mijn consulten goed is. Daarom vind ik het fijn dat we patiënten niet maar tien minuten, maar bijvoorbeeld een half uur of driekwartier zien. Dat geeft me tijd om patiënten goed te onderzoeken, evalueren, instrueren en behandelen. Ik vind het daarnaast leuk om fysiek bezig te zijn, daar kan ik mijn energie in kwijt. Tegelijkertijd ben ik toch iedere keer bezig met klinisch redeneren; ‘Als dit niet werkt, hoe kan ik de klacht dan anders aanpakken? Wat kan ik nog meer voor deze patiënt betekenen?’ Je krijgt van veel andere specialismen, zoals de neurologie, orthopedie, sport- en revalidatiegeneeskunde dingen mee, maar blijft toch gefocust op het grotere plaatje. Dat blijven puzzelen maar ook actief bezig zijn vind ik erg leuk aan deze baan. Daarnaast vind ik het fijn dat ik relatief weinig slechtnieuwsgesprekken hoef te voeren, daar zou ik slecht mee overweg kunnen.”

En wat vind je het lastigst?  
“Officieel valt musculoskeletale geneeskunde, anders dan bijvoorbeeld manuele therapie, onder de alternatieve geneeswijzen. Daardoor krijgen patiënten behandelingen vaak niet volledig vergoed, waardoor zij er soms voor kiezen om geen behandeling te ondergaan. Dat vind ik jammer, omdat je alle patiënten graag de zorg wilt verlenen die zij verdienen, zonder dat dit afhankelijk is van de vergoeding van de zorgverzekeraar. Dat de behandelingen maar deels vergoed worden heeft te maken met de evidence ervoor. Voor een kleine beroepsvereniging is het lastig om dergelijk onderzoek te bekostigen. Doordat er zoveel verschillende oorzaken bestaan voor rugklachten, en niet elke patiënt met dezelfde diagnose hetzelfde reageert op een behandeling, moeten wij maatwerk leveren door te zoeken naar een juiste behandeling of combinatie van behandelingen. De commissie wetenschap van onze beroepsvereniging werkt hard aan richtlijnen en effectenstudies, om op die manier beter zichtbaar te worden binnen de reguliere geneeskunde.”

Draai je ook diensten? En hoe zien die diensten eruit?
“Al ons werk is poliklinisch, dus in principe zijn er geen diensten. Als je een eigen praktijk hebt kun je het natuurlijk zo gek maken als je zelf wilt, maar voor nu vind ik het fijn om ook voldoende tijd te hebben buiten mijn werk.”

Hoe veel administratie heb jij? Is dat net zoveel als in het ziekenhuis? 
“Ook in ons werkveld ontkom je niet aan administratie. In elk consult bespreek en noteer je kort het reactiepatroon van vorige behandeling en noteer je hetgeen je gezien en gedaan hebt. Daarnaast schrijf je enkel brieven ter evaluatie aan de huisarts of een aanbeveling bij doorverwijzen naar een ander specialisme.”

Heb je tips voor (jonge) dokters die twijfelen over hun opleidingskeuze? 
“Ga vooral meekijken met verschillende specialismen. Maak niet te snel een keuze, en bedenk niet alleen wat je belangrijk vindt over 5 jaar, maar ook over 20 of 30 jaar. Probeer daarnaast altijd het hele plaatje te blijven zien, denk in een keten en zie je patiënt niet als een verzameling van losstaande diagnoses.

Is je interessegebied breder dan één enkel specialisme, vind je het leuk om zelf patiënten te behandelen door middel van conservatieve en invasieve behandelmethodes, werk je graag in een klein multidisciplinair team en wil je opleiding en een gezin kunnen combineren? Kom dan vooral een keer een dag meelopen in een MSK-praktijk of op de Rugpoli. Wil je meer informatie over het opleidingsplan of in contact komen met aangesloten MSK-artsen dan kun je altijd kijken op de site van de vereniging (www.NVAMG.nl).”