Blog 24; In gesprek met een AIOS radiotherapie

Deze week ga ik in gesprek met dokter Anne Cobussen, arts in opleiding tot radiotherapeut-oncoloog. Radiotherapie is een medisch specialisme waar ik voordat ik aan de slag ging binnen de interne geneeskunde en oncologie niet eerder van gehoord had. Zonde, want het is een prachtig specialisme!

Wist je dat..?
– Een radiotherapeut niet hetzelfde is als een radioloog?
Dit wist 79% van de stemmers via de Instagram pagina van @doktersdiehetandersdoen.

– Een radiotherapeut meer doet dan alleen in een hokje zitten en bestralen. Sterker nog, een radiotherapeut zit helemaal niet in dat hokje te bestralen, dat doen de laboranten!
84% van de stemmers wist dit. Side note: de radioloog zit natuurlijk ook niet de hele dag in een donker hokje ;).
– Je technisch niet perse heel erg goed hoeft te zijn om radiotherapeut te worden. Er zijn veel laboranten en klinisch fysici die het technische gedeelte op zich nemen.

Anne aan het werk als AIOS radiotherapeut-oncoloog

Anne, hoe kwam jij eigenlijk in aanraking met de radiotherapie?
Ik was destijds werkzaam bij de gynaecologie en daar vroeg iemand het me: ‘Anne, is de radiotherapie dan niks voor jou?’ Ik dacht toen, die mensen zitten in een hokje en ze bestralen, dat is toch juist echt helemaal niks voor mij. Geen idee hoe mis ik het kon hebben. Ik ben me er toen wel in gaan verdiepen en ben meegelopen en vanaf het eerste moment was het alsof alle puzzelstukjes van de jaren ervoor op zijn plek vielen. Dit vak had alles wat ik zocht in mijn werk als arts. Dus ja ik was verkocht en ben er meteen vol voor gegaan, want ik wist zeker, dit is mijn vak! 

Je zegt: ‘het vak heeft alles wat ik zocht’. Wat zoek jij in een baan? Was het lastig dat te vinden?
Ik heb lang gezocht naar wat ik precies als arts wilde. Ofja, ik wist heel goed wat ik wilde, maar ik kon het nergens overal terugvinden: ik wilde intensief patiëntencontact, ik vond intimiteit belangrijk, wilde de diepte in qua kennis, diversiteit in mijn werk, maar ik hield ook niet van het competitieve wat je vaak zag, het ellebogen en de werkdruk. 
Lange tijd dacht ik de gynaecologie in te willen gaan, die eerste facetten komen hier allemaal aanbod, maar de dingen waar ik juist tegenop zag zijn hier ook aanwezig: het ellebogen en de werkdruk. Ik heb toen eerst mijn wetenschapsstage bij de gynaecologie-oncologie gedaan en daarna ook mijn semistage bij de gynaecologie. Al na een paar weken kwam ik erachter dat ik de verloskunde helemaal niks vond. En ja, dan moet je geen gynaecoloog worden. De gynaecologie-oncologie daarentegen was helemaal mijn ding en terugkijkend was de oncologie in alle andere specialismen ook mijn ding.

‘Toen iemand me vroeg of de radiotherapie niet iets voor mij was dacht ik dat het juist helemaal niéts voor mij was. Hoe mis kon ik het hebben!’

Wat is je taak als radiotherapeut?
Als radiotherapeut-oncoloog begeleid je patiënten tijdens hun bestralingstraject. Het is geen diagnostisch vak, patiënten komen bij ons als ze al een diagnose hebben. Als radiotherapeut doe je de intake waarbij je vooral te weten wilt komen hoe een patiënt conditioneel is, wat het traject is geweest, sociale vangnet en doe je, indien geïndiceerd een lichamelijk onderzoek. Daarna leg je uit wat het bestralingstraject inhoudt en wat ze kunnen verwachten aan bijwerkingen. Tijdens de bestralingen zie je je patiënten op controle en bij sommige deelgebieden ook nog tot 5 jaar na behandeling. Zo doen wij bijvoorbeeld bij bepaalde doelgebieden (oa prostaat en gynaecologie) de follow-up afwisselend met de hoofdbehandelaar. Verder bepaal je als radiotherapeut-oncoloog welk bestralingsplan een patiënt krijgt, hier zijn vaste protocollen voor, maar soms moet je hier ook een beetje mee spelen, bijvoorbeeld in de recidiefsetting. Vervolgens teken je het doelgebied in. De laboranten maken een bestralingsplan en als arts ben je verantwoordelijk om dit te beoordelen en te accorderen. Soms worden we op het bestralingstoestel erbij geroepen als er een match niet klopt (bijv dat de tumor buiten het doelgebied ligt door bijvoorbeeld veel lucht in de darmen) en moet je beslissen of een bestraling wel of niet door kan gaan, of dat er extra maatregelen genomen moeten worden.  
Daarnaast houd je je bezig met brachytherapie, een speciaal onderdeel van de radiotherapie. Dit wordt bij gynaecologische- en prostaatcarcinoom veelal ingezet. Bij het uitvoeren van deze inwendige bestraling ben je als radiotherapeut-oncoloog nog wat meer met je handen bezig: zo plaatsen we zelf de bestralingsapplicator en de naalden waar de straling doorgaat, of bijvoorbeeld de jodiumzaadjes die de meeste wel zullen kennen bij prostaatkanker.

Dat is veel breder dan ik in eerste instantie dacht! Maar hoe word je eigenlijk radiotherapeut?
Na de bachelor en master geneeskunde kun je de opleiding tot radiotherapeut volgen in verschillende centra. De opleiding is in totaal 5 jaar en is echt op de oncologie gericht. Het grootste deel van de opleiding volg je bij de radiotherapie met stages in de verschillende doelgebieden. Verder hebben we een half jaar klinische stage, die wij vanuit Maastricht bijna altijd bij de interne oncologie volgen, daar ben ik nu mee bezig. Daarnaast hebben we nog 3 maanden radiologie, 6 maanden een vrije stage en aan het einde van de opleiding nog een verdiepende stage. Ook volgen we 1 jaar bij de radiotherapie in het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven, waarin je vrij bent om je doelgebieden te kiezen. We hebben in de opleiding dus best wel wat vrijheid om bepaalde stages in te delen en je eigen richting te kiezen. Zo is het voor mij heel duidelijk dat ik me wil profileren in de brachytherapie en gynaecologische en urologische tumoren. Ik ben hiervoor van plan om  in mijn vrije stage naar Aarhus in Denemarken te gaan, om me daar verder te specialiseren in de brachytherapie bij gynaecologische tumoren.

Is het lastig om een opleidingsplek te bemachtigen en wat zijn de criteria?
Ik ben direct vanuit de geneeskunde opleiding aangenomen voor de opleiding tot radiotherapeut-oncoloog in Maastricht. Ik had ook in Nijmegen gesolliciteerd, maar daar raadden ze me aan om eerst een jaar klinische ervaring op te doen. In Maastricht hoefde dat niet. Van verhalen hoor ik dat de eisen in de randstad hoger zijn en je bijvoorbeeld gepromoveerd moet zijn of met onderzoek bezig moet zijn, maar dat weet ik niet zeker hoor, want ik heb daar niet gesolliciteerd. Het lastige is dat er weinig tot geen ANIOS plekken bij de radiotherapie zijn, het is dus heel lastig om in dit vakgebied ervaring op te doen als basisarts. Ze zijn dus in mijn ogen ook zeker niet op zoek naar de beste AIOS, maar wel daar degenen die dit vak echt willen uitoefenen en hier goed over nagedacht hebben en er een goed beeld van hebben.

Hoe ziet voor jou een gemiddelde werkweek eruit?
Een werkweek van een radiotherapeut is heel divers: je ziet nieuwe patiënten en controle patiënten op de poli, neemt deel aan MDO’s (multi disciplinaire overleggen red.), maakt tussendoor de intekeningen voor de bestralingen, beoordeeld deze en kan voor allerlei zaken naar het toestel of CT-scan gebeld worden bij bijzonderheden om mee te kijken. Zeker als brachy radiotherapeut komt hier nog meer afwisseling bij kijken. Als ik zo kijk kan ik wel een heel boekwerk maken over dit fantastische vak. Als AIOS (arts in opleiding tot specialist red.) doe je eigenlijk alle bovenstaande zaken ook, maar dan onder supervisie. In Maastricht zijn we als AIOS boventallig, wat betekent dat je in eerste instantie de patiënten uit de agenda van je supervisor kiest. Je mag dan kiezen om die patiënt zelf te zien zonder supervisor, maar je mag er ook voor kiezen dat je de patiënten samen met je supervisor ziet waarbij jij het gesprek doet. Op deze manier krijg je dus directe supervisie en feedback en leer je ontzettend veel! Later in je stage krijg je steeds meer eigen patiënten en doe je natuurlijk zelf alle controles.

Wat vind jij het allerleukste aan je baan? En wat vind je minder leuk?
Pfoe, dat is een lastige vraag. Het is gewoon zo’n mooi vak, ik vind heel veel leuk: de diversiteit in het werk, de tijd voor de patiënten en dat ik alle aspecten die ik belangrijk vind terug heb kunnen vinden hier. Het mooie is dat je de patiënt, de anatomie, het medische probleem en de technische mogelijkheden met elkaar combineert om zo tot het beste beleid te komen.
Ik vind het in opleiding zijn soms best lastig en dat het niet alleen maar je werk is, maar dat je ernaast nog allerlei zaken moet doen (onderwijs verzorgen, onderzoek, artikelen lezen etc). Daarnaast stel je zelf geen diagnose. Ik vind dat zelf totaal geen probleem, maar als je dat wel leuk vindt zit je hier niet op de goede plek.

Je combineert de gegevens van de patiënt, de anatomie, het medische probleem en de technische mogelijkheden om tot de beste behandeling te komen

En hoe zit het met diensten? Heb je die eigenlijk wel?
We hebben bereikbaarheidsdiensten, 5 dagen achter elkaar. Tijdens deze diensten kan je gebeld worden door patiënten, verwijzers of laboranten als er bestraald wordt. Hoe vaak je gebeld wordt wisselt heel erg. Er zijn dagen dat je helemaal niet gebeld wordt, maar ook dagen dat je 4 telefoontjes in een uur krijgt. Over het algemeen vallen het aantal telefoontjes heel erg mee. Een enkele keer moeten we tijdens een dienst in huis komen voor een spoedbestraling, maar dit is niet vaak en daar zijn bepaalde tijden voor ingepland, dat zal niet midden in de nacht zijn.

Mij valt het op dat je als dokter tegenwoordig meer achter je computer zit dan dat je bij de patiënt bent. De administratielast is enorm als dokter in het ziekenhuis. Is dat bij jou ook zo?
Ook wij hebben zeker onze administratie, maar ik denk dat de verhouding patiënten zien en administratie wel beter verdeeld is. Omdat we alleen poliklinisch werken bestaat de administratie van het werk vooral uit het voorbereiden van de poli en het maken van brieven. We hebben ruim de tijd tijdens het spreekuur, vaak wel 40 tot 60 minuten voor een nieuwe patiënt dus vaak red je het wel in die tijd je brieven te maken. Daarnaast hoort het voorbereiden van MDO’s er ook bij natuurlijk. En dan is er ook nog de administratielast van de opleiding: denk aan voorbereiden onderwijs, leren, planning maken, cursussen, declaraties etc., dat zal hetzelfde zijn als in het ziekenhuis.

Laatste vraag: heb je tips voor (jonge) dokters die twijfelen over hun opleidingskeuze?
Heel cliché, maar ik denk dat het belangrijkste is om dicht bij jezelf te blijven. Maak de keuzes vanuit je eigen intrinsieke motivatie en niet omdat anderen dat willen. Bepaal voor jezelf wat je belangrijk vindt in je leven en in je werk, en kijk dan welk vak daar het beste bij aansluit. Doe wat je zelf wilt, dan ben je op je best en word je het gelukkigst, daar ben ik van overtuigd.


Vind jij het leuk om ook iets te vertellen over het vakgebied waarin je werkt? Neem dan contact op en mail naar doktersdiehetandersdoen@gmail.com!


Blog 22; in gesprek met een sportarts

Deze week een blog over een specialisme dat zeker niet mag ontbreken op mijn website: sportgeneeskunde! Ik ga in gesprek met dokter Donna Blokland.
Wist je dat..?

  • Een sportarts er zeker niet alleen is voor topsporters! We zijn er voor iedereen die beweegt/sport of dat wil gaan doen en hier klachten bij ervaart.
    “Sportgeneeskunde is het medisch specialisme dat zich richt op het bevorderen, waarborgen en herstellen van de gezondheid van mensen die (willen gaan) sporten en/of bewegen. Ook richt het zich op het door sport en/of bewegen bevorderen en herstellen van de gezondheid van mensen met chronische aandoeningen. Bij beide facetten wordt uitdrukkelijk rekening gehouden met de specifieke belasting en belastbaarheid.”
    (Beroepsprofiel Sportarts, 2012)
  • Er in Nederland op dit moment 138 sportartsen, 37 aios Sportgeneeskunde en 25 sportartsen niet praktiserend zijn. *
    (*Disclosure: deze cijfer zijn gebaseerd op degenen die lid zijn van de Vereniging voor Sportgeneeskunde. Enkele sportartsen zijn dat niet, dus het werkelijke aantal ligt iets hoger).

Sportgeneeskunde mag natuurlijk niet ontbreken op mijn website! Waarom ben jij sportarts geworden?
De afwisseling binnen het vak sprak me erg aan. Enerzijds zie je patiënten/sporters met blessures, waarbij je je kennis van het bewegingsapparaat kunt inzetten. Als sportarts hou je je ook bezig met de inspanningsfysiologie; wat doen hart, longen en spieren bij inspanning, en waar zit een eventuele beperking? Tot slot doen veel sportartsen ook sportmedische begeleiding, waarbij je de medische begeleiding van bijvoorbeeld een voetbalteam verzorgt. In al deze diverse werkzaamheden neem je als sportarts altijd de balans tussen belasting en belastbaarheid mee. Verder is de patiëntenpopulatie erg gevarieerd: van beginnend (amateur) sporter tot topsporter, maar ook bijvoorbeeld hart- of oncologie revalidatie patiënten. Tot slot vind ik het ook gewoon erg leuk om met sport bezig te zijn, of dit nou privé of op werk is.

Donna Blokland, sportarts en teamarts KNVB Jong OranjeLeeuwinnen

Was het een lastige keuze of wist je direct wat je wilde?
Gedurende het tweede jaar van mijn geneeskunde opleiding kwam ik door een keuzeblok Revalidatie & Sport voor het eerst in aanraking met de sportgeneeskunde. Mijn interesse was direct gewekt, maar ik had zeker mijn keuze nog niet gemaakt. Eerlijk gezegd vond ik heel veel vakgebieden leuk; huisartsgeneeskunde, cardiologie, kindergeneeskunde, …. Pas bij de invulling van mijn laatste jaar van geneeskunde ben ik echt de richting van sportgeneeskunde opgegaan.

Toen je je keuze gemaakt had, kwam je toen gemakkelijk in opleiding?
Ik heb erg veel geluk gehad qua timing. De plek waar ik in opleiding ben gekomen (regio Utrecht) wilde het jaar van mijn sollicitatie iemand kiezen waarvan ze wisten dat diegene het vak echt leuk vond en goed in de groep zou passen. Ik had inmiddels een aantal co-schappen en een wetenschapsstage daar gedaan en ik paste blijkbaar goed in dat plaatje. Ik heb dus veel geluk gehad en ben in één keer aangenomen in mijn voorkeursregio.

‘Ik had zeker mijn keuze nog niet gemaakt, eerlijk gezegd vond ik heel veel vakgebieden leuk!’

Hoe ziet de sollicitatieprocedure eruit en waar kan je allemaal solliciteren?
De sollicitaties worden landelijk gecoördineerd via het opleidingsinstituut, de SBOS (Stichting Beroepsopleiding tot Sportarts). Er zijn op dit moment 10 opleidingsregio’s, waarvan er per jaar 7 een opleidingsplek hebben. Je solliciteert landelijk, waarbij je je voorkeursregio’s kunt aangeven en eventueel opleidingsregio’s kunt uitsluiten. Vervolgens word je (hopelijk) uitgenodigd voor een gesprek bij één of meerdere regio’s. Na de gesprekken wordt geprobeerd om de voorkeuren van de opleidingregio’s en de kandidaten zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen.

En hoe ziet de opleiding er vervolgens dan uit? Hoe lang duurt de opleiding?
De opleiding duurt 4 jaar. Ik heb nog het oude curriculum gevolgd, waarbij je begon met 9 maanden cardiologie en vervolgens 3 maanden longgeneeskunde. Het tweede jaar bestond uit een heel jaar orthopedie. Het derde en vierde jaar bestond uit 1,5 jaar sportgeneeskunde en (vaak verspreid) 3 maanden huisartsgeneeskunde en 3 maanden wetenschapstage.
In het nieuwe curriculum begin je gelijk met 3 maanden sportgeneeskunde, wat denk ik een goede verandering is! Verder is de orthopedie stage verkort naar 9 maanden.

Hoe zijn jouw dagen als sportarts eruit?
Als sportarts draai je in principe alleen spreekuren, je hebt geen afdeling of diensten (tenzij je sportmedische begeleiding doet, zie de vraag over diensten). Je doet deze spreekuren in een ziekenhuis of in een sportmedische instelling.
Op een spreekuur zie je patiënten met blessures, zoals patellofemoraal pijn syndroom, patellapeestendinopathie, schouder impingement etc.
Verder doe je ook regelmatig sportmedische onderzoeken, altijd bestaande uit anamnese en lichamelijk onderzoek, en afhankelijk van de indicatie uitgebreid met bijvoorbeeld ECG, spirometrie en inspanningstesten op de fiets- of loopband. De indicaties voor deze sportmedische onderzoeken zijn erg divers. Soms is er sprake van inspanningsgerelateerde klachten zoals dyspnoe, pijn op de borst of conditieverlies. Het kan ook in het kader van bijvoorbeeld hart- of oncologierevalidatie zijn, of begeleiding bij long-COVID patiënten. Een andere groep mensen zijn diegenen die op eigen initiatief komen, bijvoorbeeld omdat ze hun drempels willen weten of omdat een sportmedisch onderzoek verplicht is (zoals bij topsporters, maar ook voor bepaalde opleidingen).
Tot slot zijn veel sportartsen betrokken bij sportmedische begeleiding. Dit kan bij bijvoorbeeld een sportbond, club of evenement zijn. Zelf ben ik teamarts van de KNVB Jong OranjeLeeuwinnen. Hierbij ben ik, samen met de fysiotherapeut, verantwoordelijk voor alle sportmedische zaken. Denk hierbij aan o.a. blessure management, bewaken van belasting/belastbaarheid en voeding/hydratie. En natuurlijk de afgelopen tijd alles rondom COVID-19. Ik zeg gekscherend wel eens dat ik tegenwoordig meer COVID-19 dokter ben dan teamarts…
 
Wat vind je het allerleukst aan jouw baan? En wat het lastigst?  
Het allerleukste vind ik de vaak erg gemotiveerde patiënten populatie. Je moet hen over het algemeen eerder afremmen dan motiveren. Het lastige vind ik soms dat toch veel mensen (ook collega artsen) nog niet precies weten wat je als sportarts nou doet. Aan ons de taak om dit te veranderen!

Draai je ook diensten? En hoe zien die diensten eruit?
Nee, in principe niet. Maar als ik met de Jong OranjeLeeuwinnen weg ben op activiteit, dan ben je wel 24/7 beschikbaar. Dus dat zou je als dienst kunnen zien, maar het voelt heel anders dan de diensten die ik in het ziekenhuis heb gedraaid.

‘Het allerleukste aan mijn baan is de gemotiveerde patiëntenpopulatie!’

Hoe veel administratie heb jij? Is dat net zoveel als in het ziekenhuis?
Ik denk dat het niet zoveel verschilt met de spreekuren van andere specialisten in het ziekenhuis. Voor elke patiënt op je spreekuur heb je natuurlijk de gebruikelijke administratie: voorbereiding, statusvoering en brief naar de huisarts. Een inspanningstest uitwerken kan soms bij afwijkingen nog wel eens wat meer tijd in beslag nemen. Ook tijdens teambegeleiding houden we van de blessures en ziektes administratie bij.

Heb je tips voor (jonge) dokters die twijfelen over hun opleidingskeuze?
Zelf heb ik ooit tijdens een co-schap de tip gekregen om te kiezen voor het specialisme waarvan je de routine het minst vervelend vindt. Dat klinkt misschien wat negatief, maar ik vond het eigenlijk wel een mooie tip. Elk specialisme heeft natuurlijk dingen die je veel ziet en doet, dat wil je liever niet al na een jaar zat zijn.
Luister verder goed naar je gevoel en ontdek waar je je thuis voelt. Durf te twijfelen en rond te kijken. En durf ook buiten de ziekenhuismuren te kijken! Daar zijn ook nog zoveel mooie mogelijkheden: sociale geneeskunde, militaire geneeskunde, bestuurs- en advies functies etc.
 

Blog 21; in gesprek met een specialist ouderengeneeskunde

Deze week ga ik in gesprek met dokter Marina Goorts, specialist ouderengeneeskunde in opleiding.
Wist je dat..?
– Een specialist ouderengeneeskunde niet hetzelfde is als een geriater?
– Een specialist ouderengeneeskunde vaak werkzaam is in een verpleeghuis, vroeger werd dit dan ook verpleeghuisarts genoemd?

Wat leuk dat je iets willen vertellen over jouw werk! Vertel eens, hoe zien jouw dagen eruit als specialist ouderengeneeskunde (SOG) in opleiding?
 Ik volg de opleiding parttime, dat wil zeggen 3 dagen in het verpleeghuis en 1 dag in de schoolbanken in Nijmegen. Mijn werkweek bestaat uit visites van mijn eigen afdelingen, maar daarnaast heb ik veel vrije ruimte om zelf in te delen. Tijdens de visites neem ik door hoe het met de patiënten gaat en besteed ik aandacht aan preventie, om te zorgen dat patiënten zo min mogelijk naar het ziekenhuis hoeven. Ik stel hun medicatie voor suikerziekte in, houd hun hartfalen onder controle en kijk naar secundaire preventie voor beroertes. Naast mijn vaste afspraken ben ik flexibel om ruimte te maken om een Parkinson patiënt uitgebreid te onderzoeken of een moeilijk familie gesprek van een terminale patiënt te voeren. Tussendoor krijg ik telefoontjes met onverwachte dingen zoals een patiënt die is gevallen met een hechtwond of verdenking op een gebroken heup of bijvoorbeeld een plotselinge wegraking. Een verpleegkundige trieert tussen spoed en geen spoed, wat kan wachten komt op de wekelijkse visite, wat niet kan wachten ga ik direct naar toe. Daarbij werk ik vrij zelfstandig. Ik krijg altijd supervisie van een vaste specialist ouderengeneeskunde. Juist die afwisseling en de flexibele agenda is iets wat mij enorm aanspreekt! Als AIOS (Arts In Opleiding tot Specialist red.) heb ik een keer per week een leergesprek van een uur met mijn opleider waarin ik mijn leerpunten van die week en leerdoelen voor de toekomst bespreek. Het is confronterend omdat er een vergrootglas over je eigen handelen gelegd wordt, maar ook erg leerzaam om hier juist inzicht in te krijgen waardoor je enorm kan groeien.

Marina, specialist ouderengeneeskunde in opleiding

Waarom heb je gekozen voor SOG, was het een lastige keuze?
Ik vond het een hele moeilijke keuze! Sterker nog, tijdens de geneeskunde opleiding en mijn eerste jaren als ANIOS (Arts Niet In Opleiding tot Specialist red.) had ik het verpleeghuis nooit als optie overwogen. Het verpleeghuis had een suf imago en ik dacht dat mijn toekomst in het ziekenhuis lag, maar wist nog niet waar. Daarom heb ik er voor gekozen om na mijn afstuderen op de spoedeisende hulp te gaan werken, zodat ik van verschillende specialismen patiënten kon zien. Ik had daarbij de hoop dat ik na een jaar werken wel een beter idee zou hebben in welk specialisme mijn interesse zou liggen, maar helaas. Ik vond alles leuk, maar geen specialisme sprong er echt uit. Ik kon daarna de overstap maken naar de Intensive Care (IC) van een groot perifeer ziekenhuis, waar ik ook een jaar met veel plezier gewerkt heb. Maar ook daar kwam ik er achter dat ik nog iets miste. Ik vond acute zorg erg leuk, maar merkte dat ik juist ook veel energie haalde uit een praatje maken met patiënten als ze weer wakker werden na sedatie. Die praatjes waren altijd maar kort, want stabiele patiënten verlaten de IC weer snel. Ik vond het dan toch altijd jammer dat ik daarna niet meer zag hoe het verder met die mensen afliep. Na wikken en wegen en gesprekken met specialisten dacht ik dat wellicht de eerstelijnszorg toch meer bij mij paste. Vooral het langdurige patiëntencontact vind ik toch erg belangrijk, en daarom overwoog ik om huisarts te worden. Om de overgang van de IC naar de huisartsenpraktijk wat geleidelijker te laten verlopen, koos ik ervoor om eerst een jaar in het verpleeghuis te gaan werken voordat ik zou solliciteren voor de huisartsenopleiding.
Die overgang was enorm! Ik vond het in het begin echt moeilijk om te aarden in het verpleeghuis, omdat werkelijk alles anders is dan op de IC en heb zelfs even getwijfeld om te stoppen. Uiteindelijk heb ik bij de specialist ouderengeneeskunde aangeven waar ik tegenaan liep. Zij heeft met mij meegedacht en gekeken naar oplossingen die echt bij mij paste, dat was ik niet gewend vanuit het ziekenhuis. In het verpleeghuis word je echt gewaardeerd als persoon. Dat is de kracht van het verpleeghuis en maakt dat ik hier nog steeds werkzaam ben! Zo ben ik uiteindelijk geswitcht van de chronische zorg naar de revalidatie afdeling (GRZ), waar ik eerder nog niet bekend mee was. Het is het tussenstation tussen het ziekenhuis en thuis, waar mensen hard werken om te herstellen naar hun oude niveau. Vooral het werken naar een doel en potentieel ontslag naar huis vond ik erg leuk! Revalidatie heeft wel twee kanten en soms overlijden mensen, maar daardoor heb ik wel ingezien dat het soms ook heel mooi kan zijn als iemand accepteert dat hij of zij niet meer beter wordt. Ik kan ook juist heel veel voldoening halen uit het begeleiden van die laatste fase tot overlijden. Dat klinkt misschien vreemd, en dat was ik vanuit het ziekenhuis ook nooit gewend, maar dit heeft voor mij mijn ogen geopend. Je behandelt in het verpleeghuis niet alleen een ziekte, je behandelt een persoon. Juist de langdurige band die je met mensen opbouwt geeft mij veel voldoening. Soms moet je creatief zijn om te zoeken naar oplossingen. Binnen het verpleeghuis heb je daarin verrassend veel mogelijkheden en dat is juist iets wat mij erg aanspreekt. En zo ben ik dus blijven plakken in het verpleeghuis, die sollicitatie voor de huisartsenopleiding is er nooit meer gekomen.

‘Ik vond het een hele moeilijke keuze, ik heb zelfs overwogen om te stoppen!’

Hoe ziet de sollicitatie procedure voor een opleidingsplek SOG eruit?
Je schrijft een sollicitatie brief en er is een interview met de opleidingscommissie. Bij mij was het interview digitaal, dat zal wellicht voorlopig nog wel even zo blijven. Officieel wijst de universiteit je daarna een opleidingsplaats toe, maar in de praktijk is het ook mogelijk om zelf een plekje te vinden bij een verpleeghuis welke ook opleidingsplaatsen biedt.

En hoe ziet de opleiding er vervolgens dan uit?
De opleiding duurt 3 jaar. Het eerste en derde jaar zijn stages in het verpleeghuis, op de psychogeriatrie (PG)-afdeling, somatische afdeling en geriatrische revalidatie (GRZ). Het tweede jaar bestaat uit 6 maanden GGZ stage en 6 maanden ziekenhuis (afhankelijk van je eerdere werkervaring bijvoorbeeld neurologie, interne geneeskunde of geriatrie etc). Met eerdere werkervaring kun je soms korting voor de opleidingsduur krijgen.

‘De kracht van het verpleeghuis is dat ze echt kijken naar wat bij jou past. Het is afwisselend en je krijgt echt een band met je patiënten.’

Is het lastig om een opleidingsplek te bemachtigen. Wat zijn de criteria?
Met een goede motivatie en wat werkervaring heb je een redelijk goede kans om in opleiding te komen. Er wordt echt gekeken naar jouw kwaliteiten als persoon en of dat zou passen bij de doelgroep. En natuurlijk of je kunt samenwerken in multidisciplinaire teams, want dat doe je namelijk erg veel als specialist ouderengeneeskunde!

Wat vind je het allerleukst aan jouw baan? En wat het lastigst?  
Het leukste aan mijn baan vind ik het contact met mijn cliënten en nauwe samenwerking met collega’s. De cliënten op de chronische afdeling wonen in het verpleeghuis dus daarmee bouw je een goede band op. Sommigen zie je wekelijks, anderen wat minder. Juist het delen van kleine persoonlijke dingen vind ik erg leuk. En met collega’s werk je samen in een nauw multidisciplinair team. Naast je collega artsen heb je korte lijntjes met o.a. de fyiso-, ergo- en logopedie. We lopen geregeld bij elkaar binnen en is dit meestal erg gezellig.
Wat ik soms wel moeilijk vind, is het overlijden van mensen waar je een goede band mee opgebouwd hebt. In het ziekenhuis was een overlijden altijd vrij afstandelijk, meer een formaliteit. Omdat je in het verpleeghuis mensen beter kent, ben je hier automatisch ook nauwer bij betrokken. Maar als mensen vrede kunnen hebben met het overlijden en je kunt hen en hun familie hier goed begeleiden, kan ik hier juist ook veel voldoening uit halen.

Draai je ook diensten? En hoe zien die diensten eruit?
Ja zeker, diensten horen er bij. Het zijn altijd bereikbaarheidsdiensten, dus je bent in principe gewoon thuis en je telefoon staat aan. Ik heb meestal 1 dienst per week naast je reguliere werk, dit kan een avonddienst of dagdeel in het weekend zijn. Je kunt gebeld worden over te hoge glucoses of valincidenten, maar ook over een acuut benauwde patiënt of verdenking op een beroerte. Afhankelijk van je inschatting, geef je telefonisch advies of rijd je visite. Daarbij wordt verwacht dat je bij acute dingen binnen 30 minuten aanwezig kunt zijn.  Je hebt daarbij altijd een specialist ouderengeneeskunde als achterwacht, die je ondersteunt bij vragen of zo nodig een zieke patiënt mee komt beoordelen.

Hoe veel administratie heb jij? Is dat net zoveel als in het ziekenhuis?
Pfoe ja dat denk ik wel! Je schrijft alles op wat je doet, alleen op de chronische afdelingen krijgen mensen geen ontslagbrieven en dat scheelt wel heel veel. Wel zijn er regelmatig multidisciplinaire overleggen, waarbij de fysiotherapie, ergotherapie, logopedie, diëtetiek en psychologie samen met jou kijken naar de doelen van een cliënt. Dit wordt ook weer vastgelegd in het dossier.

Heb je tips voor (jonge) dokters die twijfelen over hun opleidingskeuze?
Vooral werkervaring opdoen op verschillende plekken en in verschillende ziekenhuizen of verpleeghuizen. Vraag ook vooral om een keer een dagje mee te lopen. In het verpleeghuis word je met open armen ontvangen! Mijn ervaring is dat het zo veel uitmaakt met wie je samenwerkt. Dus kijk vooral goed rond en schroom niet om te vragen om feedback waar specialisten of andere collega’s jou zouden zien werken en waarom. Wellicht geeft dit je nog nieuwe inzichten!

Blog 19; in gesprek met een verslavingsarts

Ik heb weer een aantal hele mooie verzoekjes gekregen! Zo vroeg iemand om een blog te maken samen met een verslavingsarts. Ik wist niet eens dat dat een apart specialisme was. Gelukkig is dokter Merlijn Campfens bereid om iets te vertellen over zijn werk in de verslavingszorg.

Merlijn, je werkt op een terrein dat niet iedereen zal kennen! Toch?
Klopt, ik werk als basisarts bij een instelling voor verslavingszorg in Brabant. Ik was ook niet echt bekend met het vakgebied, totdat ik als coassistent bij mijn coschap psychiatrie bij de verslavingsgeneeskunde terecht kwam. Hoe meer ik me er in verdiepte en er ervaring opdeed, hoe enthousiaster ik werd. Daarom is mijn eerste werkplek de verslavingszorg geworden.

Hoe zien jouw dagen er uit?
Ik werk op twee plekken in de organisatie: ambulant en in de kliniek. Ambulant betekent dat patiënten niet opgenomen zijn, ze komen langs zoals op een polikliniek. De kliniek zijn de opgenomen patiënten, dat is de High Care Dubbel Diagnose behandelafdeling. Op deze afdeling verblijven cliënten enkele weken tot maanden, ze hebben naast verslavingsproblematiek ook een andere diagnose zoals depressie, ADHD, schizofrenie of trauma. Het komt ook voor dat ze nog geen officiële diagnose hebben, ze starten dan eerst met de detox (het afkickproces), nadien volgt een diagnostisch traject voordat de daadwerkelijke behandeling kan beginnen. Het verschilt per werkplek hoe mijn dagen er precies uit zien. 

Kun je een beeld schetsen van een kliniekdag?
In de kliniek begint mijn dag met het ochtendoverleg om half 9. Dat is met iemand  van de afdeling (verpleegkundige of sociotherapeut) en verschillende soorten behandelaren. Denk hierbij aan een psycholoog, muziektherapeut of andere vaktherapeut, de psychiater en ik als arts. We bespreken de bijzonderheden per cliënt. Daarna volgt het artsoverleg waarbij alle artsen van de verschillende afdelingen samen komen. Daar bespreken we de bijzonderheden vanuit de avond/nachtdienst en de opnames van die dag.  Vanaf half tien bestaat mijn dag uit verschillende soorten consulten. Dit kan iemand zijn met oorpijn of slaapproblemen, een sportblessure of iemand die acuut detox klachten heeft. Of het betreft een opname- of ontslaggesprek. Ik doe ook ‘ongeplande’ zorg, dat is bijvoorbeeld wanneer iemand van zijn fiets is gevallen of acuut pijn op de borst krijgt. We kunnen vaak samen met de afdelingsverpleegkundigen en medicatie uit de werkvoorraad al veel doen, maar soms is insturen met een ambulance nodig. We zijn wel een kliniek maar geen ziekenhuis. 

‘Er zijn vaak veel vooroordelen, terwijl verslaving in elke laag van de bevolking van jong tot oud voorkomt’

Dat klinkt als een uiteenlopend takenpakket!
Dat is kenmerkend van de verslavingszorg: de brede blik. Het gaat niet alleen om het middel en de detox maar om het hele plaatje. Daarom beginnen we bij een nieuwe opname met een vrij uitgebreid gesprek waarin we de medische voorgeschiedenis bespreken, maar ook medicatie en allergieën, een verslavingsanamnese en tractus anamnese afnemen (vragen over allerlei lichamelijke klachten die een patiënt kan hebben). Maar het gaat ook over slaap, voeding, seksualiteit, iemands familie- en sociale status. Daarnaast doen we algemeen lichamelijk onderzoek (zoals hartslag, bloeddruk, onderzoeken van hart/longen/buik) en aanvullende onderzoek door middel van bloed prikken is onderdeel van de medische intake. Er is uiteraard veel aandacht voor de mentale aspecten en de psychiatrische anamnese. Ik ben natuurlijk geen psychiater, maar verzamel wel veel informatie: hoe zit iemand er bij? hoe voelt hij/zij zich? zijn er aanwijzingen voor wanen of andere psychotische klachten? is er sprake van suïcidaliteit? Al deze informatie is belangrijk bij het maken van een behandelplan voor de eerste detox periode en daarna. Ik doe als afdelingsarts niet alles zelf, de psychiater heeft ook een belangrijke rol in de behandeling en het (medicatie)beleid. Daarom overleggen we regelmatig laagdrempelig om zaken op elkaar af te stemmen.

Wat is er anders op je ambulante dagen?
In mijn ambulante werk is vooral de setting anders. De afspraken staan vooraf ingepland, met altijd wat ruimte voor nieuwe/acute dingen tussendoor. Inhoudelijk is er overlap met de kliniek, maar ik ben op een ander punt in het traject betrokken. Soms is het duidelijk dat iemand het beste in de gecontroleerde omgeving van de kliniek kan stoppen met het gebruik van middelen, bijvoorbeeld als iemand heel erg afhankelijk is zoals bij alcohol of GHB. Dan is thuis stoppen niet haalbaar en medisch ook niet vellig. Maar er zijn ook vele andere ‘routes’ om af te kicken mogelijk, een individueel afbouw/stop plan, de ambulante detox groep of met thuisbezoeken van ons IHT team (Intensive Home Treatment). Soms is volledig stoppen met een middel simpelweg niet haalbaar, of niet haalbaar op dat moment. Dan is het richten op stabilisatie en beperken van de schade.

Waarom heb je gekozen voor dit specialisme, hoe heb je die keuze gemaakt?
Tijdens de opleiding was ik  aan het twijfelen over verschillende specialismen. Ik wist uiteindelijk wel dat ik de beschouwende kant op wilde en niet per se in het ziekenhuis wilde werken. Dan blijft er nog steeds best veel over. Ik heb toen goed gekeken wat ik precies zo leuk vond per vakgebied, maar ook naar wat er ontbrak. Bij bedrijfsgeneeskunde miste ik het behandelaspect, in het ziekenhuis miste ik vaak het begeleidingsstuk. Ik vond de interne geneeskunde erg interessant, maar ik miste er de verbinding met de psychiatrie. Alle aspecten die ik zocht komen, in de juiste balans, terug in de verslavingszorg. Het is een combinatie van somatiek (lichamelijke klachten) en psychiatrie, van medisch inhoudelijke zaken met ook aandacht voor sociale aspecten, en een klinische setting maar niet het ziekenhuis. Daarnaast werk ik veel zelfstand, maar tegelijkertijd ook in een multidisciplinair team. Maar ook de afwisselende problematiek en diverse groepen patiënten maakt het zo leuk! Nadat ik klaar was met mijn studie Geneeskunde heb ik gesolliciteerd voor mijn huidige baan. Nu, ongeveer een jaar later, ben ik alleen maar zekerder geworden van mijn keuze en wil ik dan ook de vervolgopleiding tot verslavingsarts gaan volgen.  

‘Probeer de keuze voor een specialisme te zien als een jouw persoonlijke route. Kijk wat je allemaal leuk vindt en probeer zo de puzzelstukjes te combineren’

Wat heb je nodig om verslavingsarts te worden?
Dat heeft mijn collega Ad van Hoek in de Arts in Spe van mei 2014 treffend geformuleerd: ‘De functie verslavingsarts vraagt om mensenkennis en een grote dosis inlevingsvermogen: zo behoor je stressbestendig, communicatief vaardig en flexibel te zijn en dien je te beschikken over goede gesprekstechnieken en een luisterend oor. Ook moet je bereid zijn om te blijven leren en in staat zijn om op basis van klinische ervaringen en wetenschappelijke kennis beslissingen te nemen in zeer complexe situaties. Daarnaast dien je open te staan voor kritiek en feedback van collega’s. Tevens is het essentieel dat je goed met teleurstellingen om kunt gaan: veel cliënten krijgen immers een terugval.’

Is het lastig om een opleidingsplek te bemachtigen. Wat zijn de criteria? 
De opleiding Verslavingsgeneeskunde is ondergebracht bij de afdeling Eerstelijns Geneeskunde van het Radboud UMC. Het is een opleiding met weinig plekken (circa 20 per jaar). Maar er zijn ook niet heel veel aanmeldingen. Het is echt niet dat 200 artsen solliciteren voor die 20 plekken. In principe kan elke (basis)arts solliciteren, ook huisartsen en artsen die een carrière switch willen maken kunnen de opleiding gaan doen.

Hoe ziet de sollicitatie procedure voor een opleidingsplek eruit?
Ik ga me binnenkort aanmelden met een motivatiebrief en mijn Curriculum Vitae. Na de briefselectie volgt een sollicitatiegesprek.

En hoe ziet de opleiding er vervolgens dan uit? Hoe lang duurt de opleiding?
De huidige opleiding duurt twee jaar. Hierbij volg je één dag per week cursorisch onderwijs en werk je vier dagen per week in de praktijk onder begeleiding van een opleider en werkbegeleider. De opleiding is ingedeeld in verschillend modules, van neurobiologie tot psychiatrie, van verslavingsgeneeskunde tot gespreksvaardigheden. Een belangrijk onderdeel is wetenschappelijke ontwikkeling en klinisch redeneren. Maar ook Public Health (preventie en beleid), leiderschap en zorgcoördinatie komen aan bod.
De opleiding wordt mogelijk uitgebreid naar drie jaar, maar de financiering hiervan moet eerst rond zijn. Dit is uitgesteld vanwege de (tot voor kort) demissionaire status van het kabinet. Dit extra jaar zou bestaan uit externe stages buiten de verslavingszorg zoals op de spoedeisende hulp. Ook los van dat extra jaar gaat de inhoudelijke doorontwikkeling van de opleiding door. Voor meer informatie zie: https://www.radboudumc.nl/onderwijs/scholingen/opleiding-tot-verslavingsarts

Wat vind je het allerleukst aan jouw baan? En wat het lastigst?  
Het leukst vind ik het contact met de cliënten, de behandelrelatie die je opbouwt tijdens de behandeling en begeleiding. Het gaat echt niet altijd over puur medische zaken maar vooral wat voor iemand belangrijk is. Dat kan van alles zijn: grip op zijn/haar leven terug krijgen, een betere gezondheid, gelukkiger voelen, beter relatie met familie, terug aan het werk gaan na uitval. Juist de combinatie zoals eerder genoemd maakt dat ik het een uitdagend, afwisselend en dynamisch vak vind. Je kunt echt een groot verschil maken in iemands leven op een hele persoonlijke manier. Telkens op een andere manier, want steeds zijn verschillende dingen belangrijk, de ene keer ligt de nadruk op de stemmen die iemand hoort, de andere keer staan de lichamelijke klachten op de voorgrond. De ene cliënt vertelt uitgebreid en veel, bij iemand anders moet het vertrouwen eerst groeien. Ik vind het een uitdaging om mijn communicatiestijl af te stemmen op de betreffende persoon en te zoeken naar gemeenschappelijke taal en onderling begrip.
Het herstelproces verloopt vaak met vallen en opstaan. Iemand die na enkele maanden behandeling succesvol en abstinent de kliniek uit gaat, kan twee weken later terug zijn na een harde terugval thuis. Je moet dan geduld hebben en positief blijven: “wat goed dat je weer hulp hebt gezocht” in plaats van “ben je hier nu alweer?” De kleine stapjes in de goede richting, de lichtpuntjes die iemand weer terug vindt in het leven, dat vind ik  heel mooi om te zien.

De chroniciteit van de problemen vind ik soms juist lastig.  Er is natuurlijk geen magisch medicijn of simpele oplossing die voor iedereen gegarandeerd werkt. Het liefst wil ik bijdragen aan duurzaam herstel, iemand ondersteunen, een luisterend oor bieden en ervoor zorgen dat iemand zich weer gezien voelt. Ik merk regelmatig dat er veel vooroordelen zijn over het vakgebied en de patiënten. Verslaving is een complexe, diverse en ingrijpende ziekte. Verslavingsproblematiek zit in alle lagen van de maatschappij, van jong tot oud, bijna iedere arts heeft met deze groep in meer of mindere mate te maken. Of je nu huisarts, bedrijfsarts of medische specialist in het ziekenhuis bent. Deze groep is vaak kwetsbaar en heeft juist extra tijd en zorg nodig i.p.v. een extra lading (voor)oordelen. Maar door de problemen zitten ze vaak ook hun eigen proces in de weg.

Draai je ook diensten? En hoe zien die diensten eruit?
Jazeker, de kliniek is 24/7 zorg, dus draai ik als arts  mee in de telefonische bereikbaarheidsdiensten voor vragen vanuit de klinische afdelingen. Als basisarts heb ik ook een achterwacht om op terug te  vallen. Als arts ben ik weer de voorwacht van de psychiaters.  De diensten zijn heel wisselend qua inhoud en drukte, de ene keer zijn het een paar korte medicatie vragen, de andere keer is het een ingewikkelder probleem, bijvoorbeeld als iemand psychotisch dreigt te ontregelen bij een GHB detox. Soms is een visite noodzakelijk, dan stap ik in de auto en kom ik iemand beoordelen. Dit gebeurt niet heel vaak. In acute spoedeisende situaties duurt het natuurlijk te lang voordat ik er ben. Dan belt de afdeling zelf een ambulance, bij twijfel bellen ze eerst  voor overleg. Sinds ongeveer een half jaar hebben we een samenwerking met een organisatie die met huisartsen diensten doet voor verschillende zorgorganisaties. Zij hebben de weekenddiensten overgenomen en ook de bereikbaarheid later op de avond en ’s nachts.

Hoe veel administratie heb jij? Is dat net zoveel als in het ziekenhuis?
De hoeveelheid administratie is wat wisselend, maar ik ontkom er zeker niet aan. Ik kan het niet een op een vergelijken met het ziekenhuis, het is inhoudelijk en qua structuur net iets anders. Het is de kunst om duidelijk, maar ook volledig te zijn. Hetzelfde dossier wordt ook door andere zorgverleners gebruikt zoals psychologen of andere behandelaren. Veel administratie ligt ook bij anderen: uitschrijfbrieven, behandelplannen, vragenlijsten en tussentijdse rapportages, dat hoef ik als arts niet allemaal zelf te doen.

Heb je tips voor (jonge) dokters die twijfelen over hun opleidingskeuze?
Ik zou willen adviseren om die afweging als een eigen persoonlijke route te zien. Te beginnen bij de vraag: wat voor soort dokter wil ik worden? Waar liggen mijn talenten en belangstelling en waar komen die het beste tot zijn recht? Zelfs als je een bepaald specialisme echt niet ziet zitten, kun je toch kijken welke onderdelen  je aanspreken. Door meer op de losse ingrediënten te letten, zie je soms ineens overeenkomsten die je daarvoor niet zag. En dan kun je onderzoeken waar deze onderdelen (deels) samen komen. Zo vond ik het urologie onderdeel van mijn chirurgie coschap best leuk, ondanks dat ik absoluut niet de kant van chirurgie of urologie op wilde. Ik ontdekte dat het de afwisseling was die me daar aansprak. Huisartsgeneeskunde is erg afwisselend, maar voor mij is daar de doorloop te snel. Zo ben ik van elk vakgebied puzzelstukjes gaan verzamelen die in mijn puzzel passen. Een puzzel die nooit helemaal af zal zijn maar ik heb nu de hoekjes en de meeste randjes compleet.  


Vragen voor Merlijn? Of zonder Instagram en Facebook toch op de hoogte blijven van nieuwe blogs? Stuur een mailtje naar doktersdiehetandersdoen@gmail.com

Blog 17; in gesprek met een huisarts in opleiding

Een blog over huisartsgeneeskunde kan natuurlijk niet ontbreken! Een van de meest gekozen specialisme, zo’n 30% van alle dokters wordt uiteindelijk huisarts. Sommige weten dat al vroeg in de opleiding, sommige kiezen voor de huisartsopleiding na een aantal jaar als basisarts in het ziekenhuis gewerkt te hebben en zelfs een aantal switcht tijdens hun opleidingstijd tot specialist in het ziekenhuis! Het huisartsenvak bestaat al eeuwenlang, maar heeft pas sinds 1971 een gerichte opleiding die drie jaar duurt na de Geneeskunde opleiding. Dat betekent dat de huisartsopleiding dit jaar zijn 50-jarig jubileum viert!
Ik ga deze week in gesprek met huisarts in opleiding Faizah. Een stoere dokter die van actie houdt, maar ook van écht communiceren met patiënten.


Faizah, wat leuk dat je iets willen vertellen over jouw werk! Vertel eens, hoe zien jouw dagen eruit?
Wat leuk dat ik wat mag vertellen over mijn werk! Ik ben HAIO (huisarts in opleiding) en werk parttime, dat wil zeggen één dag per week les en drie dagen per week op mijn werkplek. Die werkplek is in het eerste en derde jaar de huisartsenpraktijk, het tweede jaar bestaat uit stages op de spoedeisende hulp, de chronische zorg (bijvoorbeeld het verpleeghuis) en de psychiatrie. Ik heb zojuist mijn stage psychiatrie afgerond en ben daarmee aanbeland in het laatste jaar van mijn opleiding welke ik volg bij een huisartsenpraktijk in Eindhoven. Op de dagen in de praktijk doe ik spreekuur, rijd ik visites, doe ik ingrepen en pleeg ik telefoontjes. Daarnaast heb ik dagelijks een leergesprek van ongeveer een uur met mijn opleider waarin we ingewikkelde patiënten casus bespreken, of onderwerpen waarover ik nog kennis wil opdoen, manieren van communicatie, hoe je samenwerking met bijvoorbeeld de assistentes het beste aanpakt enzovoorts. Tijdens de lesdag ben ik van half 10 tot half 5 op de opleiding. De lessen variëren, van kennis tot wetenschap en van heftige gebeurtenissen delen met elkaar tot consulten bekijken, er komt van alles aan bod. Daarnaast zijn de lesdagen ook erg gezellig, ik heb altijd erg leuke groepsgenoten en na de lessen gaan we regelmatig nog even richting het terras voor een drankje.

Wanneer wist je dat je huisarts wilde worden?
Pfoe, dat is een hele weg geweest! Een van mijn laatste coschappen deed ik op de spoedeisende hulp omdat ik nog geen idee had wat ik wilde doen. Ik vond bijna alle coschappen erg leuk en wilde een combinatie van denken en doen. Op de spoedeisende hulp zei één van de huisartsen in opleiding daar al dat ze mij huisarts zag worden. Ik wist dat allemaal nog niet zo zeker, ik had tijdens mijn huisartsen coschap niet zo’n klik met mijn begeleider wat dit coschap erg kleurde. Daarnaast zijn bijna alle coschappen in het ziekenhuis waardoor je toch geneigd bent om alleen maar over een specialisatie in het ziekenhuis na te denken. Na de spoedeisende hulp heb ik een coschap bij de anesthesie gedaan, dit was direct een match! De fysiologie begrijpen vond ik fantastisch, het was de juiste combinatie van denken en doen, samenwerken is erg belangrijk en je komt af en toe acute problematiek tegen. Daarnaast vond ik anesthesiologen ontzettend leuke mensen waar ik mezelf wel tussen zag staan, kortom ik was eruit! Ik zat helemaal op mijn plek.
Ik ben ik op de intensive care gaan werken van een groot perifeer ziekenhuis, wat een logische stap is om in opleiding te komen tot anesthesist. Ook daar zat ik helemaal op mijn plek, ik heb daar heel fijn gewerkt, leuke collega’s (soms iets te leuk, ik ben daar mijn huidige vriend tegengekomen haha 😉), maar ik merkte dat ik wat miste. Ik vond het heerlijk als ik wat meer tijd had in bijvoorbeeld het weekend om eens naast de patiënt te zitten en te praten met die patiënt. Wat betekent zo’n ingrijpende IC-opname voor deze patiënt? Hoe beleeft hij of zij dit? Ook gesprekken over wel of niet behandelen bleven mij bij, hier haalde ik veel voldoening uit. Ik begon te twijfelen en een aantal verpleegkundigen op de IC vertelde me dat ze me zo goed vonden in communicatie en het zonde vonden als ik anesthesie ging doen (je patiënten slapen natuurlijk het grootste deel van de tijd). Ook merkte ik dat ik graag in Brabant wilde blijven, ik was mijn leven aan het opbouwen wat betreft woonplek en vrienden. Ik bewonder het altijd heel erg als mensen het hele land doorverhuizen voor hun werk, dat is niet aan mij besteed, en is wel iets wat erbij kan horen bij een specialisatie in het ziekenhuis. De anesthesie opleiding bijvoorbeeld zit alleen in de academische ziekenhuizen en Nieuwegein, en als je eenmaal klaar bent moet je vaak op zoek naar werk als specialist waarbij verhuizen soms noodzakelijk is. Huisartsen zitten overal, de opleiding was in de buurt en er is veel werkgelegenheid. Dat bij elkaar maakte dat ik koos voor het huisartsenvak.

Heb je daarna nooit meer getwijfeld?
O, zeker wel! Ik ben zelfs begonnen aan de opleiding tot anesthesioloog!
Toen ik weer een instabiele patiënt op de IC had kreeg ik daar zoveel adrenaline van waardoor ik weer twijfelde en uiteindelijk voor de anesthesie koos. Ik besloot een knoop door te hakken en solliciteerde voor de opleiding tot anesthesioloog in Zuid-Limburg. Een week na mijn sollicitatiegesprek ging het mis. Ik kreeg een ernstige ooginfectie waarbij een bacterie van de ene op de andere nacht mijn hoornvlies aangetast en ernstig beschadigd had. Ik werd opgenomen in hetzelfde ziekenhuis als waar ik had gesolliciteerd en zag nagenoeg niets meer met mijn linkeroog. Het was onduidelijk of dat ooit nog terug zou komen. Een week met intensieve behandeling in het academische ziekenhuis volgde met veel emotie en verdriet. Het zou drie maanden gaan duren voordat ik wist of mijn zicht zou terugkeren. Ik was plotseling bezig met vragen als ‘kan ik überhaupt nog wel als arts werken?’ ‘Kan ik ooit nog autorijden?’. Toen ik eenmaal weer thuis was werd ik gebeld dat ik was aangenomen. Ik mocht eerst als ANIOS (Arts Niet In Opleiding tot Specialist) aan de slag, als dat goed zou bevallen zou ik een paar maanden later in opleiding gaan tot anesthesioloog. Omdat ik bang was dat ze me niet meer zouden aannemen met mijn slechte oog heb ik hier niks over gezegd. Achteraf had ik dit natuurlijk anders moeten aanpakken, maar door alle emotie is het erg lastig om alles te overzien op zo’n moment.
In de donkere, natte wintermaanden begon ik dagelijks aan mijn reis richting het zuiden (een uur heen en een uur terug ) en de lange dagen (contract van 48 uur plus alle vergaderingen en onderwijs). Ik zat elke ochtend huilend in mijn auto, ik zag links niets, alle lampen waren halo’s, het was donker en het was doodeng om weer in de auto te stappen, maar ik zette door want ik wilde de opleidingsplek zo graag! Na zes weken kon ik niet meer, ik had er geen rekening mee gehouden dat plotseling slecht zicht zoveel energie kostte, kijken doe je immers de hele dag en mijn hersenen waren niet gewend aan het slechte oog en de halo’s. Ik ging naar de bedrijfsarts en werd ziek gemeld. Verschrikkelijk vond ik dat, maar het zette me wel aan het denken over wat echt belangrijk is: heb ik dit allemaal over voor de anesthesie? word ik hier gelukkig van? Ik belde de inmiddels huisarts op die ik op de spoedeisende hulp had leren kennen en ging met haar in gesprek en liep een dag mee op de huisartsenpraktijk. Bij de anesthesie mocht ik terugkomen als ik was opgeknapt en wilden ze me een opleidingsplek geven. Ik stond voor een erg moeilijke beslissing. Moest ik een opleidingsplek ‘weggooien’ voor het onbekende (ik wist natuurlijk niet of ik zou worden aangenomen bij de huisartsopleiding)? En ik voelde me schuldig tegenover al die mensen die anesthesist wilden worden. Uiteindelijk heb ik de knoop doorgehakt en ben ik voor de huisartsenopleiding gegaan, daar ben ik nog steeds heel erg blij mee!

Dat klinkt als een lastige tijd!
Ja, dat was het zeker. Het voelde een tijd alsof mijn gezondheid de beslissing voor mij heeft gemaakt en dat vond ik lastig. Nu zie ik het ziek zijn als het moment waarop ik tijd had om te realiseren wat nu écht belangrijk is voor mij in mijn werk. Communicatie met de patiënt, laagdrempelige zorg dichtbij huis en een band opbouwen met mijn patiënten!

Wat fijn dat je nu zo goed op je plek zit! Welke eigenschappen denk jij dat je nodig hebt om een goede huisarts te zijn?
Ik denk dat de communicatie key is in het huisartsenvak! Je anamnese is je belangrijkste tool. Hier wordt dan ook veel aandacht aan besteed tijdens de opleiding. Daarnaast is het belangrijk dat je je goed kan inleven in je patiënt en empathie kan tonen. Ook moet je snel kunnen schakelen, elke 10 of 15 minuten een andere patiënt, een spoedpatiënt tussendoor, telefoontjes. Het overzicht houden is hierbij erg belangrijk.

‘Het leukst is de band met de patiënt, je komt bij mensen thuis en bent betrokken in het hele gezin!’

Hoe ziet de sollicitatie procedure voor een opleidingsplek eruit?
De sollicitatie is landelijk geregeld, je solliciteert dus niet op één plek maar voor de huisartsopleiding in het algemeen. Je stuurt een motivatiebrief en je CV op. Als je door deze selectie komt maak je een toets, de LHK. Dit is te vergelijken met de VGT (Voortgangstoets), die je elke 3 a 4 maanden maakt tijdens je geneeskunde opleiding, maar dan iets korter gelukkig haha. Als je de toets haalt volgen er twee gesprekken. Deze gesprekken zijn anders dan “normale” sollicitatiegesprekken, er wordt naar casussen gevraagd die je hebt meegemaakt op verschillende domeinen zoals samenwerken of communicatie. Je analyseert dan wat er gebeurde, wat er goed ging, maar vooral wat je er voor leerpunt uithaalt. Zelfreflectie en je kwetsbaar durven opstellen zijn hierbij erg belangrijk. Dat laatst was een verademing voor mij aangezien dit veel meer bij me past dan de mentaliteit die er vaak in het ziekenhuis heerst waarbij je geen “zwakheden” mag laten zien.

Maar kan je dan ook aan de andere kant van het land geplaatst worden voor de opleiding? Er zijn 8 opleidingsinstituten in Nederland, waarvan sommige nog dependances hebben in bijvoorbeeld Eindhoven of Zeeland. Je mag je voorkeur aangeven en ze proberen je te plaatsen op de plek van voorkeur, maar dat lukt natuurlijk niet altijd.

Is het lastig om een opleidingsplek te bemachtigen. Wat zijn de criteria?
Het tijdperk van “ik kan altijd nog huisarts worden als iets anders niet lukt” is een beetje voorbij denk ik. Er zijn 750 plekken per jaar verdeeld over twee startmomenten (maart en september). Er solliciteren vaak meer dan 500 artsen per ronde voor dus ongeveer 375 plekken, dus niet iedereen wordt aangenomen. Echter is de kans op een opleidingsplek wel groter dan in het ziekenhuis. Toen ik solliciteerde voor de anesthesie waren er 4 plekken waar 40 kandidaten voor waren.
Wat betreft criteria: je hebt niet perse ervaring nodig, maar ik adviseer altijd om ervaring op te doen, bij welk specialisme dan ook. Je eerste echte doktersbaan is al spannend genoeg, laat staan dat je er meteen een opleiding naast moet doen. Het is fijn om eerst de tijd te hebben om dokter te leren zijn. Rijden leer je ook veel beter nadat je je rijbewijs al hebt gehaald 😉. Mijn advies zou zijn om ervaring op te doen in het verpleeghuis of bij de psychiatrie, dit wordt erg gewaardeerd tijdens de sollicitatie. Spoedeisende hulp kan ook erg handig zijn, hier zie je natuurlijk ook patiënten van allerlei specialismen. Maar eigenlijk is elke ervaring handig, van interne geneeskunde tot kindergeneeskunde en van gynaecologie tot urologie, alles komt voorbij in de huisartsenpraktijk!

Is je salaris anders dan dat van een ANIOS in het ziekenhuis?
Ja dat scheelt wel iets. Vanaf de intensive care is mijn salaris helaas bergafwaarts gegaan haha. Ik kon maximaal 2 ervaringsjaren opgeven toen ik aan de huisartsopleiding begon, dus ik werd wat hoger ingeschaald, maar ik verdien ongeveer €500 euro minder dan in het ziekenhuis, maar dat vind ik niet erg!

Wat vind je het allerleukst aan huisarts (in opleiding) zijn?

Het allerleukste vind ik de band met de patiënt! Tijdens mijn coschappen en op de IC heb ik niet kunnen ervaren hoe het voelt om langdurig contact te hebben met een patiënt en vertrouwen te krijgen waarbij de patiënt je alles vertelt en je alles mag vragen. Hier haal ik de meeste voldoening uit. Je komt bij mensen thuis en bent vaak betrokken bij het hele gezin. Als iemand overlijdt vind ik het wel zwaarder dan op de intensive care, daar kende je de patiënt niet echt en iemand ziet er vaak niet meer uit zoals op de foto’s van voordat ze ziek werden. Nu bouw je een band op met de patiënt en zorg je maanden intensief voor iemand. Het is erg mooi en waardevol om hier onderdeel van te kunnen zijn en om dit op een prettige manier voor patiënt en familie te laten verlopen.

Draai je ook diensten? En hoe zien die diensten eruit?
Jazeker! In je eerste en derde jaar zit je in een huisartsenpraktijk en draai je diensten op de huisartsenpost. Dit moeten er in totaal 20 per jaar zijn, en kan een avond-, nacht- of weekenddienst zijn. Tijdens het tweede jaar ga je naar de SEH en draai je gewoon mee in het dienstrooster.

‘Mijn tip: praat erover en onderzoek je twijfel!’

Wat zijn jouw toekomstplannen? Waar sta je over 10 jaar?
In de toekomst wil ik in eerste instantie graag waarnemen. Dit geeft vrijheid wat betreft je uren en diensten, wat met een jong gezin makkelijk te combineren is. Over een eigen praktijk heb ik nog wat twijfels. Aan de ene kant lijkt het me erg fijn om zorg te leveren zoals je dat zelf graag wilt, aan de andere kant ben ik totaal geen ondernemer. Investeren in je collega’s vind ik wel interessant, maar het financiële stuk niet. Gelukkig is het steeds gebruikelijker om een praktijkmanager te hebben. Nog genoeg om over na te denken. Ik zie mezelf wel een aanvullende kaderopleiding doen, urogynaecologie vind ik erg interessant en verdieping van mijn vak zou me denk ik meer passen dan het ondernemerschap.

Heb je tips voor (jonge) dokters die twijfelen over hun opleidingskeuze?
Goede vraag.. Ik denk dat het belangrijk is om te bedenken hoe je je werk in jouw leven ziet en wat de belangrijke dingen voor jou zijn in het leven. En vooruit denken kan helpen, al is dit erg lastig. Als je 25 bent en net afstudeert kan die baan waarbij je 60 uur per week werkt helemaal geen probleem zijn, maar 10 jaar later, als je een gezin hebt, hoe zie je dit dan voor je? Hierdoor zie je steeds meer dokters die in opleiding waren tot specialist of zelfs al klaar met de opleiding toch switchen van baan en bijvoorbeeld de huisartsenopleiding doen.
Oh en praat erover en onderzoek je twijfel! Helaas wordt dat met name in het ziekenhuis niet gedaan is mijn ervaring. Jammer dat twijfel een taboe is, ik denk dat dit heel normaal is en dat ook specialisten wel eens twijfelen aan hun vak. Ik heb recent nog goede gesprekken gehad toen ik de intensivisten met wie ik een aantal jaar heb gewerkt weer tegen kwam op de spoedeisende hulp. Toen ik mijn verhaal vertelde waren zij ook wat meer open. Ook zij twijfelden weleens en ook zij werden niet altijd gelukkig van hun werk, hier wordt alleen helaas vaak niet over gepraat.


Op de hoogte blijven van alle nieuwe blogs? Volg dokters die het anders doen op instagram of meld je aan voor de mailinglist door een mail te sturen!

Blog 16: Dokter én moeder zijn, hoe doe je dat?

Zoals jullie weten schrijf ik blogs op verzoek!
Deze week spreek ik daarom met twee toppers van dokters én moeders! Want hoe combineer je het ouderschap met een drukke baan als dokter?
Ik ga in gesprek met Gabby, anesthesioloog in opleiding, maar momenteel fulltime promovendus en sinds maart 2021 moeder van een dochtertje, en Cecile, die recent de opleiding tot SEH-arts afrondde en in april 2021 moeder werd van zoontje Joes.

Gabby en Cecile, wat super dat jullie ons mee willen nemen in jullie leven als dokter en moeder. Hoe ziet jullie werkweek eruit?
Gabby: Momenteel doe ik fulltime onderzoek, dat wil zeggen dat ik 38 uur per week bezig ben met mijn promotie. Ik was net gestart met mijn tweede jaar van de opleiding tot anesthesioloog toen ik besloot deze tijdelijk te pauzeren zodat ik kon promoveren. Vanaf januari zal ik mijn opleiding tot anesthesioloog parttime herstarten en in mijn vrije tijd mijn promotie afronden. Dat zal best pittig worden met een baby, maar het scheelt dat ze tegen die tijd alweer 9 maanden is.
Cecile: Ik ben SEH-arts KNMG. Je treft me op een goed moment, want ik heb mijn opleiding nét afgerond. Ik heb vooralsnog dus alleen als moeder gewerkt tijdens mijn AIOS (Arts In Opleiding tot Specialist) periode. Ik werkte als AIOS 80% wat neer kwam op 36 uur in de week. Dat zijn vier diensten per week. Een werkweek op de SEH bestaat uit zeven dagen in plaats van vijf, dus mijn vier diensten zijn niet per definitie tussen maandag en vrijdag. Het is een pittige baan met veel onregelmatigheid. Een vloeiende overgang met thuis dus aangezien het leven met een kind ook volkomen onregelmatig is haha. Maar ik geniet van de onregelmatigheid en afwisseling! Een 8.00-18.00 uur baan zou niets voor mij zijn. Naast de diensten houd ik me bezig met onderwijs, cursussen en onderzoek. De voorbereiding en uitvoering daarvan moet vaak in je eigen tijd.

Cecile, wat is voor jou de grootste verandering geweest sinds je moeder bent?
Het ritme! Voordat ik een kindje had vond ik dat onregelmatige van mijn werk juist erg fijn. Natuurlijk is het niet leuk als iedereen in het weekend vrij is en ik niet mee kan naar een feestje omdat ik dienst heb, maar verder genoot ik van de afwisseling. Juist de avonddiensten vond ik heerlijk. Lekker druk beginnen en dan (hopelijk) een beetje rustiger afsluiten aan het einde van de avond, op de fiets naar huis, douchen en naar bed. De volgende ochtend kon ik dan uitslapen en de dag rustig starten. Even de stad in, koffie drinken of lunchen met een vriendin, maar een baby houdt geen rekening met hoe laat ik naar bed ga. Als ik om 1.00u in bed lig, is 6.00u een baby voeden wel heel vroeg…
En ik ben wat gemakkelijker geworden, vroeger wilde ik echt alles tot in de puntjes voorbereid en af hebben. Dat is een stuk lastiger met een baby thuis! Natuurlijk moeten bepaalde dingen af, maar als ik ergens niet aan toe kom (omdat ik het in mijn eigen tijd had moeten doen), dan kan ik gemakkelijker zeggen; helaas, volgende keer beter. Ik weet niet of dat echt komt doordat ik moeder ben geworden, of gewoon doordat ik wat ouder ben geworden. 

Gabby, hoe ziet je werkweek er vanaf januari uit als je weer aan de slag gaat als anesthesioloog in opleiding?
Ik ben dan weer 4,5 dagen per week aan het werk op het OK-complex in het ziekenhuis. Vrijdagmiddag hebben we altijd onderwijs. Daarnaast starten en eindigen we elke dag met een overdracht waarin op basis van de casuïstiek van die dag elkaar wat wordt geleerd. Op andere momenten wordt er onderwijs gegeven door een collega AIOS. De werkdagen variëren in welke dienst je hebt, in het begin doen we bij ons nog geen nachtdiensten, maar de andere varianten hebben we wel. Ik weet dat ze de diensten bij alle opleidingslocaties net wat anders doen. Dus sommige hebben wel direct nachtdiensten. De diensten vind ik het leukst en meest uitdagend! Kortom, leerzame dagen waarbij alles direct in de praktijk wordt gebracht! 

‘Je kunt je gewoon niet voorstellen hoe het is om ineens moeder te zijn’

– Cecile

Jullie zijn beide begin dit jaar moeder geworden. Hoe was dat?
Gabby: Het is heel bijzonder om zo’n afhankelijk mensje te hebben die direct onvoorwaardelijk kiest voor jou. Je leeft natuurlijk al langere tijd naar het moment toe dat je moeder wordt, je leest alle boeken, blogs, en alles wat je aanschaft gaat door een hele kritische keuring heen. Dat is eigenlijk op zich al bijzonder, want op andere materialistische keuzes in je leven bereid je je ook niet zo goed voor. Ik heb hiervoor altijd vooral op mijn gevoel keuzes gemaakt en me enigszins ingelezen. Nu had ik bedacht; ik wil het beste maar voor een eerlijke, redelijke prijs. En ik heb me suf gelezen en gegoogled, haha. Van matras en fles tot luier-emmer en nagelvijl… echt alles heeft een blog met een advies om het op een bepaalde manier te doen. Je wordt er gek van! Er is altijd een andere mening te vinden die het kiezen lastiger maakt. En dan blijkt vervolgens dat je kind die ene flessenspeen niet pakt, maar een andere wel. Kortom het is heel mooi en bijzonder, maar er gaat ook echt een bizarre wereld voor je open.
Cecile: Heel bijzonder! We hadden een heel gek jaar achter de rug waarin onze bruiloft werd geannuleerd vanwege COVID-19 en het traject om zwanger te worden werd stil gelegd. Gelukkig kon dat halverwege de zomer opgestart worden en was ik snel zwanger, maar de bruiloft werd voor de tweede keer uitgesteld door een harde lockdown en inmiddels was ik dus al 4 maanden zwanger. We wilden getrouwd zijn voordat de kleine zou komen, dus uiteindelijk zijn voor de wet getrouwd, maar de échte dag moet dus nog komen. De laatste loodjes op de SEH waren pittig. Het is toch wel even iets anders om met een dikke buik over een drukke spoed te banjeren! Je kunt je voorstellen dat ik wel toe was aan mijn verlof! Ik had verlof midden in de lockdown en kon dus niet echt ‘leuke’ dingen doen. Voordeel daarvan was wel dat ik veel thuis was en kon uitrusten (dat is volgens mij ook waar het verlof eigenlijk voor bedoeld is haha). Nadat Joes geboren was hebben we het ook met bezoek heel rustig aan gedaan. Geen drie kraambezoeken per dag gelukkig! Er mocht één iemand per dag op bezoek komen. Dat hebben wij als heel prettig ervaren, omdat het daardoor voor ons, maar vooral ook voor Joes veel rustiger was. Ik vond het heerlijk om lekker te wandelen en dat heb ik dan ook heel veel gedaan. Het was heel fijn om lekker lang vrij te kunnen zijn met je kindje. Er is zoveel waar je aan moet wennen! Mensen vragen weleens of het is zoals ik had verwacht, maar eerlijk gezegd; je kunt je gewoon niet voorstellen hoe het is, om ineens moeder te zijn! Er is gewoon zoveel waar je nog nooit over hebt nagedacht! 

Hoe was het voor jullie om weer aan het werk te gaan na je verlof?
Gabby: Omdat ik in mijn onderzoeksperiode zit kon ik prettig en rustig opstarten hoe dit voor mij het beste paste. Zo kon ik zelf beslissen dat ik na 10 weken een keer een halve dag ging werken in het ziekenhuis, of kon ik thuis achter de laptop even wat gaan schrijven. Ik vond het prettig om mezelf te oriënteren op wanneer en waar kolven, maar ook qua energieniveau en loskomen van je baby vond ik het fijn om alvast te oefenen. Persoonlijk was ik na 12 weken verplicht verlof helemaal klaar met 24/7 alles voor mijn baby doen. Ik was altijd al heel slecht in thuis zitten en het huishouden doen, haha. Nu met een baby erbij is het zeker heel anders hoor. En het was ook echt heel fijn om zoveel tijd met je kersverse kindje door te brengen, maar als ze zo klein zijn heb je nog zo weinig interactie en draait alles om voeden, slapen, huid-op-huid contact en luiers. Naast natuurlijk je eigen herstel van de bevalling. Dat had ik wel gezien na 3 maanden! De combinatie van werken en daarna thuiskomen om nog even die voeding te doen en te knuffelen is perfect! Ook even die hersenen laten draaien op een inhoudelijk hoger niveau met volwassen gesprekken in plaats van jezelf bezig houden met de vraag of deze kleur poep wel/niet normaal is om vervolgens maar weer eens google erbij te pakken. Maar pittig was het in het begin wel, met name de hele planning er omheen. Zodra ik aan het werk was, liep het gewoon. Maar tegen het einde van de werkdag begon die planning weer; tot hoe laat zal ik nog op het werk kolven, kan ik op tijd thuis zijn om nog te voeden etc. maar na enkele dagen stel je jezelf die vragen niet meer, dan zit je gewoon in de flow en gaat alles vanzelf. 
Cecile: Ik had na mijn verlof nog wat vakantie opgenomen, dus ben uiteindelijk 12 weken na de bevalling weer aan het werk gegaan. Ik had gedacht dat ik niet kon wachten om weer aan het werk te gaan, maar dat viel wel mee, haha! Ik vond het wel lekker zo thuis met een baby. Al merkte ik toen ik eenmaal weer aan het werk was, dat het ook wel heel fijn was om weer iets te hebben waarin ik meer kon zijn dan alleen moeder. Dokter Cecile i.p.v. mama Cecile ;). Het werken vind ik goed te combineren met een baby! Natuurlijk vind ik het niet leuk als ik thuis wegga voor een dienst en Joes achter moet laten bij de oppas of zijn mama, maar eenmaal op het werk is het helemaal prima. Aan het einde van de dag is het dan wel weer heel leuk om naar huis te gaan. Niets is fijner dan lekker knuffelen met een baby (nog beter; je eigen baby) nadat je een hele drukke en soms ook heftige dienst hebt gehad. 

Wauw, wat een hardwerkende moeders zijn jullie. Hoe doe je dat allemaal?
Gabby: Veel steun van familie, goed plannen/communiceren en efficiënt werken. Ik denk dat dat mijn mantra is en vooral die steun is erg belangrijk. Zonder hadden ik en mijn man meer compromissen moeten maken op onze hobby’s bijvoorbeeld. Nu kunnen we eigenlijk nog bijna alles doen wat we voorheen ook deden. Het is niet dat we beide geen compromissen willen maken, want we hebben beide 1 dag per week vrij van werk zodat we er volledig voor ons kindje kunnen zijn bijvoorbeeld. Maar de hobby’s die we hebben en het contact met vrienden is ook waar we energie uit halen. Wij vonden dat we daar niet teveel op in moeten leveren. Ik vind daarnaast mijn werk echt ontzettend leuk en ga er elke dag met veel plezier naartoe, dat zorgt er natuurlijk ook voor dat dit weinig stress veroorzaakt. 
Cecile: Ik werkte al parttime, maar ik heb ervoor gekozen om nog iets minder te gaan werken. De ene week vier diensten, de andere week drie diensten. Daarnaast geef ik dan nog les aan verpleegkundigen en co-assistenten, dat vind ik super leuk om te doen! Omdat mijn werk onregelmatig is en ik parttime werk scheelt dat qua opvang voor Joes. Hij gaat één dag in de week naar de opvang en wij hebben allebei een vaste vrije dag. Dan hebben we het geluk dat de opa’s en oma’s willen en kunnen oppassen. Zij zijn ook flexibel en kunnen eventueel een dag ruilen als dat beter uitkomt. In het weekend is mijn vrouw, Eefje, (meestal) thuis voor Joes. Soms ben ik toevallig vrij op een dag dat er opvang voor Joes is, of op de dag dat Eefje ook vrij is. Joes gaat dan gewoon naar de opvang, zodat ik even wat tijd voor mezelf heb, of juist nog dingen voor werk/de opleiding af kan maken. Maar als we samen vrij zijn genieten we even extra van de tijd met elkaar. Op die manier zorgen we er ook voor dat we niet volledig langs elkaar heen leven. 

‘Ik doe alles waar ik als jong meisje van droomde’

– Gabby

Gaat jullie kindje ook naar de opvang Gabby?
Onze dochter gaat 2 dagen per week naar de opvang en 1 dag per week gaat ze naar mijn ouders. Daarnaast hebben wij zelf dus 1 dag per week vrij om samen te zijn met onze dochter. Voor mij is het de perfecte combinatie om 4 dagen te werken en 3 dagen met mijn dochter te hebben. Mijn man zou in de toekomst wel terug willen naar 3 dagen werken in plaats van 4. 

Wat doet jullie partner voor werk?
Gabby: Mijn man maakt websoftware en heeft een kantoorbaan. Dit helpt ook echt in de dagelijkse planning gezien hij geen avonden of weekenden hoeft te werken. Het zou veel meer gepuzzel zijn als hij ook diensten zou moeten draaien. Nu komt het alleen een enkele keer voor dat hij naar een evenement moet. Maar dan kunnen we dus terugvallen op ons grote familie netwerk die met liefde komen oppassen. 
Cecile: Mijn vrouw is momenteel bezig met het afronden van haar promotieonderzoek. Daar is ze behoorlijk druk mee en wat ze zeggen is echt zo; de laatste loodjes wegen het zwaarst! Wat na de bevalling heel fijn was, is dat zij nagenoeg volledig thuis werkte door COVID-19. Zij kon daardoor toch af en toe even helpen als het allemaal druk was en heeft daardoor heel bewust veel meer meegekregen van die eerste weken dan het geval zou zijn geweest als ze wel vier dagen in de week naar het ziekenhuis had gemoeten.

Hoe doen jullie dat met (nacht)diensten?
Gaby: Ik ga gewoon een nachtdienst doen wanneer dat zo is, haha. Gelukkig sliep onze dochter altijd heel goed waardoor we we snel terug konden naar 1 nachtvoeding. In de verdeling die we hadden gemaakt deed mijn man de nachtvoeding sowieso al, dus het enige wat voor hem veranderde was dat hij de ochtendvoeding erbij had. Dit is zeker pittig voor hem hoor! Maar als het niet al te vaak voorkomt, is dat wel te doen. Het is ongelofelijk hoeveel je ineens kan hebben voor je eigen kind. Zoals veel ouders zeggen: ‘ik snap niet hoe ik dat toen allemaal heb gedaan’. Dat gaat zeker op! En gek genoeg vergeet je ook snel hoe zwaar het was. Mijn dochter is nu bijna 8 maanden; slaapt door van 19-7u, heeft nog maar 5 flessen en eet al best wat vast voedsel. Ik kan me nu al niet meer voorstellen hoe het was toen ze 4 maanden was; waarbij ze meer sliep dan ze wakker was op een dag en ze nog 8 flessen kreeg (waarvan 3 in de tijd dat ze nu slaapt). Je groeit heel snel mee als ouder en het went ook snel. 
Cecile: Tot nu toe heb ik nog geen nachtdiensten gehad omdat ik nog borstvoeding geef. Dan hoef je tot 6 maanden na de bevalling geen nachtdiensten te doen. Ik ben dus wel heel benieuwd hoe dat straks gaat worden, die nachtdiensten! 

Heb je wel eens negatieve reacties gehad op je zwangerschap? Voelde je je bezwaard?
Gabby: Nee, ze zijn in ieder geval niet tegen mij geuit. Mensen dachten het misschien wel, haha. Ik vond het wel heel spannend om het tegen mijn begeleiders van mijn promotietraject te vertellen. Ik was bang dat ze inderdaad zouden zeggen dat het onverstandig was om zwanger te raken gezien de ambities die ik heb. Dus ik had mijn betoog al gemaakt in mijn hoofd. Maar ik heb mezelf eigenlijk nooit hoeven verdedigen. Dat was wel echt een geruststelling! Tegenover collega’s heb ik me nu ook niet bezwaard gevoeld omdat ik sowieso al geen diensten deed vanwege mijn onderzoek. Dus er heeft niemand roostertechnisch nadelen van ondervonden. Ik kan me echter heel goed voorstellen dat ik me wel bezwaard zou hebben gevoeld als ik mijn collega’s zou belasten met extra diensten. Vooral ook omdat ik mezelf gedurende de hele zwangerschap lichamelijk goed voelde, dus ik zou het wel hebben gekund denk ik. (Even buiten beschouwing gelaten wat nachtdiensten doen met jezelf en je kindje tijdens een zwangerschap.)
Cecile: Ik heb geen negatieve reacties gehad. Het is voor het rooster natuurlijk niet fijn dat je zwanger bent en geen nachtdiensten doet, maar ik heb het zo vroeg mogelijk aangegeven, zodat er met de roosterplanning rekening gehouden kon worden.

Geef je borstvoeding? Hoe doe je dat op werkdagen?
Gabby: Tip van Flip voor borstvoeding; niet bezuinigen op een kolfapparaat! Ik moest elke dag 30 minuten rijden naar mijn werk. Ik had een kolfapparaat op accu en kon daardoor in de auto kolven en op elke willekeurige plek in het ziekenhuis. Geen stopcontact nodig, alleen lopend water zodra ik klaar was. Dit maakt het combineren van werk met borstvoeding zoveel flexibeler. En verder zodra je gaat werken investeren in huid-op-huidcontact in de avonden om je productie goed te houden en natuurlijk om te wennen aan zo weinig bij elkaar zijn plotseling. Een baby voelt dat feilloos aan.  
Cecile: Ja, ik geef borstvoeding en dat verliep vanaf het begin gelukkig heel erg goed. Ik vind het super waardevol om mijn zoontje op die manier groot te kunnen brengen. Tijdens het werk had ik geluk dat ik door de afronding van mijn opleiding zogenoemde supervisie diensten deed. Daarmee kon ik alvast ‘oefenen’ hoe het is om straks echt de eindverantwoordelijkheid te hebben als SEH-arts. Groot voordeel hiervan was dat ik daarvoor boventallig ingepland werd. Dit maakte dat ik heel gemakkelijk even 20 minuten weg kon om te kolven. Als dat niet zo was geweest was het denk ik veel moeilijker geweest om de borstvoeding vol te houden. Ik merkte dat al op dagen dat ik niet overgepland stond. Dan heb je gewoon echt niet altijd tijd om even rustig te gaan zitten. Ik vergat dan soms ook weleens dat ik moest kolven… niet oké natuurlijk. Maar gelukkig is dat niet zo vaak gebeurd. 

Hebben jullie nog tips?
Gabby: Eigenlijk is het allerbelangrijkste dat je voor jezelf een goed moment kiest om moeder te worden. Die afweging kan je alleen zelf maken: zijn jij en je partner er klaar voor, is thuis alles zo ver op orde dat er een baby bij kan, wat is het handigste qua timing met een eventuele opleiding (qua stages, dienstbelasting, grote examens) en heb je een plan B en C voor de tegenvallers. Zodra je daar een idee van hebt, werkt hopelijk de natuur een beetje mee, want het is helaas niet iedereen gegeven. Voor mij was het de beste keus om het te doen tijdens mijn onderzoeksperiode waarin ik geen diensten had, ik mijn eigen tijd kon plannen en geen grote deadlines had. En de natuur werkte ook mee. Laatste tip: ontdek en bewaak je grenzen. Je verliest jezelf snel in de dagelijkse drukte, dus communiceer goed met je partner om te voorkomen dat je een burn-out krijgt. Maar laat je ook niet direct uit het veld slaan bij een uitdaging! Alles draait om balans in je energiegevers en -vreters. 
Cecile: Een goed moment kiezen is belangrijk, maar aan de andere kant is er geen perfect moment. Nog niet als je ANIOS bent, want tja je moet nog in opleiding komen, maar ook niet meteen nadat in de opleiding ben. Dan maar beetje aan het einde van de opleiding? Nou ja, dat is ook wel weer heel druk… Net na de opleiding is alleen ook niet handig, want dan moet je solliciteren voor een plek als specialist. Kortom; het komt nooit uit. Maar het is super leuk! En het komt wel goed. In elke fase is er wel een draai aan te geven. Dus probeer die planning ook een beetje los te laten! 


Vragen of opmerkingen? Stuur een e-mail of een bericht op Instagram.
Heb je geen Facebook of Instagram en wil je wel op de hoogte gehouden worden van nieuwe blogs, meld je dan nu aan voor de mailinglist.

Blog 15: In gesprek met een jeugdarts in opleiding

Deze week ga ik in gesprek met dokter Hilke Swinkels, een sociaal persoon met het hart op de tong, ze is dol op kinderen en zit helemaal op haar plek bij de jeugdgezondheidszorg (JGZ) waar ze in opleiding is tot jeugdarts, een heel belangrijk specialisme!

Want wist je dat..
* Iedere euro die jaarlijks in de JGZ wordt geïnvesteerd minstens 11 euro oplevert? Dat is de kracht van preventie!
* Dankzij preventieve adviezen zo’n 170 sterfgevallen door wiegendood per jaar voorkomen worden?
* Door het Rijksvaccinatieprogramma 6000 ziekte- en 50 sterfgevallen per jaar voorkomen worden?


Hilke, wat fijn dat jij ons mee wilt nemen in jouw werkende leven als jeugdarts in opleiding. Hoe lang ben je nu werkzaam binnen JGZ?
Na 9 maanden als basisarts in de JGZ gewerkt te hebben, ben ik sinds september 2021 in opleiding tot Jeugdarts KNMG. Daarnaast heb ik tijdens mijn coschappen al ervaring opgedaan binnen de JGZ, 4 weken coschap sociale geneeskunde op het consultatiebureau (0-4 jaar) en daarna 10 weken keuze coschap bij de GGD (4-18 jaar).

Wat is er zo leuk aan jouw werk als jeugdarts?
Om te beginnen natuurlijk de kinderen! Die kleine mensjes met hun gekke fratsen en hun onschuldige manier van denken, ze kunnen mijn hele dag goedmaken! Daarnaast is JGZ de enige partij (!) in de gezondheidszorg die alle kinderen ziet, terwijl dit bij andere specialismen maar een selecte groep is, kinderartsen zien namelijk alleen de patiënten die naar het ziekenhuis moeten en dat is maar een klein percentage.
Ik vind het echt super gaaf dat ik voor deze hele groep het verschil kan maken. Je kunt met preventie en interventies zoveel narigheid voorkomen. Het eeuwenoude gezegde luidt niet voor niets ‘voorkomen is beter dan genezen!’.
Tot slot kun je als jeugdarts jouw werkzaamheden helemaal aanpassen aan jouw voorkeuren. Vind je het leuk om de hele week spreekuur te draaien? Dat kan. Vind je het leuker om met projecten of vernieuwingen aan de slag te gaan? Ook goed. Of toch liever met de gemeente om tafel om beleidsafspraken te maken? Het is helemaal aan jou!

Hoe zien jouw dagen er dan uit? Waar hou jij je met name mee bezig?
Als ANIOS hield ik mij voornamelijk bezig met spreekuren op het consultatiebureau. Ontzettend leuk, maar na een aantal maanden was het toch wat teveel van hetzelfde. Nu ik in opleiding ben ziet mijn week er heel anders uit. Op maandag en dinsdag werk ik op locatie in Den Bosch, daar zie ik ouders met kinderen op het spreekuur, verwijs kinderen indien nodig, overleg met ketenpartners (soms individueel, soms in multidisciplinaire overleggen), werk samen met scholen en natuurlijk hoort er af en toe een vergadering bij. Op woensdag en donderdag werk ik vooral aan praktijkopdrachten vanuit de opleiding. Hierbij kies ik welke rollen van jeugdarts ik verder wil ontwikkelen en daar ga ik dan mee aan de slag. Hierdoor ziet iedere week er anders uit en werk ik zowel op verschillende locaties als thuis. De week sluit ik af op vrijdag met een leerzame onderwijsdag in Eindhoven.

Jeugdgezondheidszorg is de enige partij die álle kinderen ziet. Dat maakt het super leuk!

Zijn er verschillende richtingen binnen de JGZ? Welke?
Op veel plekken is de JGZ onderverdeeld in verschillende leeftijdscategorieën. Enkele jaren geleden was er de tweedeling 0-4 jaar en 4-18 jaar. Deze strikte onderverdeling wordt steeds meer losgelaten. In sommige regio’s wordt ook zorg geboden aan adolescenten tot 23 jaar. De organisatie waar ik werk (GGD Hart voor Brabant) werkt met de groepen 0-12 jaar en 12+. Dat betekent niet dat je perse moet kiezen als jeugdarts, je kan er ook voor kiezen om kinderen van alle leeftijden te blijven zien, het is maar waar jouw interesse ligt.
Daarnaast kun je ervoor kiezen om je te specialiseren in bepaalde gebieden, een aantal voorbeelden zijn: premature kinderen, speciaal onderwijs, kindermishandeling en asielzoekers.

Wat was voor jou de belangrijkste reden om te kiezen voor JGZ?
Toen ik Geneeskunde ging studeren wilde ik kinderarts worden, want ik merkte dat ik enorm veel energie kreeg van werken met kinderen. Dat ik dus met kinderen zou gaan werken wist ik zeker, maar het vak kinderarts bleek toch niet bij me te passen. Inhoudelijk vond ik het ontzettend interessant, maar alles daar omheen (de lange dagen, diensten, de ziekenhuiscultuur, weinig autonomie) past niet bij mij. In het ziekenhuis had ik het gevoel dat ik leefde om te werken, terwijl ik naast mijn ambities als arts ook nog veel wensen heb buiten werk om. Dus ging ik op zoek naar alternatieve specialismen. Ik leerde JGZ en kinderrevalidatie kennen tijdens mijn keuzecoschappen. Toen was het eigenlijk heel snel duidelijk, van vrienden en familie kreeg ik te horen dat het enthousiasme van mij af spatte als ik het had over JGZ. Daar ligt mijn hart. Daar wil ik als arts graag het verschil kunnen maken.

Nog even voor de duidelijkheid: een jeugdarts is geen kinderarts. Wat zijn de belangrijkste verschillen?
Een jeugdarts werkt bij een instelling in opdracht vanuit de gemeente (meestal de GGD) bijvoorbeeld op een consultatiebureau en ziet álle kinderen. Een kinderarts werkt in het ziekenhuis en ziet alleen de kinderen die doorverwezen worden door een huisarts of jeugdarts.

Je moet goed kunnen samenwerken, communiceren en initiatief tonen als jeugdarts

Welke eigenschappen heb je nodig om een goede jeugdarts te zijn of worden?
Als ik er drie moet kiezen dan zijn dat samenwerken, goed kunnen communiceren en initiatief tonen. Als jeugdarts ben je de schakel tussen verschillende partijen (kind, ouders, school, verschillende zorgverleners), dus daarvoor moet je goed kunnen samenwerken. Communicatieve vaardigheden zijn belangrijk in de spreekkamer, daar is het van belang om naar kinderen en ouders te luisteren, empathie te tonen en jouw communicatie af te stemmen op de personen die tegenover jou zitten. Alleen op die manier kun je goed aansluiten bij de behoeften van kinderen en hun ouders. En zoals ik hierboven al noemde kun je als jeugdarts jouw werkzaamheden helemaal aanpassen aan jouw voorkeuren, mits je hierin initiatief toont en kans grijpt, dan is er zoveel mogelijk en heb jij de allerleukste baan!

Is het lastig om een opleidingsplek te bemachtigen? Wat zijn de criteria?
Op dit moment bestaat de opleiding uit twee fasen: de profielopleiding tot jeugdarts (fase 1) en de opleiding tot arts Maatschappij en Gezondheid (M&G, fase 2). Momenteel zijn voor de eerste fase voldoende opleidingsplekken beschikbaar. Voor de tweede fase zijn helaas een stuk minder opleidingsplekken beschikbaar, waardoor niet iedereen die dat wil direct door kan stromen. Je kunt ervoor kiezen om alleen de eerste fase te doen, hierna ben je Jeugdarts KNMG. Er zijn plannen voor de toekomst om de opleiding samen te voegen tot een opleiding die vier jaar duurt.

Op welke plekken kun je allemaal in opleiding? En hoe lang duurt de opleiding eigenlijk?
Er is een landelijke selectieprocedure om in opleiding te komen. Vervolgens kun je voorkeuren voor verschillende locaties opgeven. Middels loting worden de opleidingsplekken verdeeld. Afhankelijk van de locatie van jouw praktijkopleiding word je aan een opleidingsinstituut gekoppeld.
De opleiding (fase 1 en 2 samen) duurt in zijn totaliteit 4 jaar. Na 2 jaar ben je jeugdarts KNMG en na 4 jaar mag je jezelf arts Maatschappij&Gezondheid noemen.

Is je salaris anders dan dat van een ANIOS in het ziekenhuis als je start bij JGZ?
Als ik vrienden die in het ziekenhuis werken moet geloven krijg je daar vaak niet de kans om te onderhandelen over het salaris. Dat kan binnen de JGZ wel, dus daardoor kwam ik iets hoger uit dan vrienden die startten als basisarts, maar dat zal per organisatie ook weer verschillen. Nu ik in opleiding ben gegaan kon ik gebruik maken van een subsidieregeling waardoor ik niet in salaris zou achteruitgaan, dus dat is mooi meegenomen!

Jeugdarts is zoveel meer dan het consultatiebureau, het is een ontzettend breed vak. Ben je benieuwd, loop eens een dagje mee!

Hoe staat het met de administratielast? Hoe veel procent van je tijd ben je kwijt aan administratie?
Lastige vraag, het is maar net wat je onder administratie vindt vallen. Wanneer ik een ochtend spreekuur draai ben ik ongeveer een half uur bezig met voorbereiden en nadien een uurtje met uitwerken of vervolgacties inzetten. Het is erg afhankelijk van de wijk waarin je werkzaam bent. Nu ik sinds kort in een aandachtswijk werk kost het iets meer tijd.

Draai je ook diensten? Hoe zien die eruit?
In de JGZ wordt niet met diensten gewerkt. Stel je voor: een leven als dokter zonder diensten! Voor mij echt een uitkomst. Ik was nooit zo goed in switchen tussen dag-, avond- en nachtdienst, dus voor mij is dit ideaal.

Heb je tips voor (jonge) dokters die twijfelen over hun opleidingskeuze?
Stap eens uit je comfortzonde en kijk eens een dag mee met een minder bekend specialisme. Hierdoor kunnen nieuwe mogelijkheden ontstaan waarvan je eerder het bestaan niet afwist. Het is zonde dat er in de geneeskundeopleiding weinig aandacht besteed wordt aan de JGZ. Hierdoor denken veel studenten dat een jeugdarts alleen maar op het consultatiebureau zit, terwijl dit vak zoveel breder is en je echt het verschil kunt maken! Ik sta er altijd voor open om jonge dokters een dagje mee te laten kijken, dus laat me dat vooral weten!


Enthousiast geworden van deze blog? Stuur een berichtje via Instagram of e-mail en ik geef het door aan Hilke.
Heb je geen Instagram of Facebook en wil je wel op de hoogte gehouden worden als er nieuwe blogs zijn? Stuur een mail, dat zet ik je op de mailinglist!

Blog 12: In gesprek met een dokter in de psychiatrie

Inmiddels zijn we er al achter dat er heel erg veel te kiezen is in het werkveld als jonge dokter. Je kunt in het ziekenhuis werken, maar ook daarbuiten, je kunt werken met relatief jonge en gezonde patiënten (bijvoorbeeld bij de gynaecologie), maar ook met oude patiënten en hele zieke patiënten. Bij de psychiatrie is dat ook zo, maar gaat het hier niet om lichamelijke ziekten, maar mentale ziekten. En die zijn vaak nog lastiger te begrijpen voor patiënt en omgeving dan een lichamelijke ziekte.  Deze week krijgen we een inkijk in het leven van jonge dokter Merel Keulen werkzaam in de psychiatrie. 


Merel, jij werkt sinds dat je dokter bent binnen de psychiatrie! Wat vind jij zo leuk aan de psychiatrie? 
Het leuke aan de psychiatrie is dat het een erg pragmatisch vak is. Daarmee bedoel ik dat je veelal doelgericht handelt en behandelt. Je bent niet altijd op zoek naar de precieze diagnose (dat proberen we natuurlijk wel) maar naar de meest passende behandeling voor je patiënt. In de psychiatrie is het namelijk vaak niet zo zwart-wit als met somatische ziekten, maar begeef je je soms in een grijs gebied waarin diagnoses nog kunnen veranderen. 
Verder is het enorm uitdagend op communicatief gebied, het vraagt veel van je communicatievaardigheden. Je vraagt de patiënten het hemd van het lijf (voor zover communicatie mogelijk is, want bij psychotische mensen is dat natuurlijk een stuk lastiger). Dit is de belangrijkste manier van informatie verzamelen. En zulke gesprekken zijn vaak geen gezellige theekransjes, maar gesprekken die écht ergens over gaan, waarbij patiënten zich ook kwetsbaar moeten opstellen. Zo praat je over traumatische gebeurtenissen, iemands jeugd, maar worden ook zaken als gedachten aan de dood besproken, zaken die patiënten vaak met niemand anders (durven te) bespreken. Soms lukt het je niet om een gedegen gesprek te voeren omdat iemand zo in de war is, maar dat levert je ook een hoop informatie op. Vervolgens stel je aan de hand van klinisch beeld, gesprekken en eventueel psychologische testen een (differentiaal)diagnose en behandelplan op. Behandeling kan bestaan uit gesprekken, medicatie of psychotherapie en meer. Afhankelijk van waar je werkt is het overigens ook heel erg belangrijk om te varen op de hulpvraag van je patiënt, want zonder motivatie van de patiënt is het moeilijk om behandeling te laten slagen. Alhoewel dat binnen forensisch kader en gedwongen zorg natuurlijk anders loopt.
Wat ik daarnaast zo leuk vind aan psychiatrie is de menselijke psyche. Het gedrag van mensen vind ik gewoon enorm fascinerend en ik houd van dynamiek in de gesprekken, sommige mensen denken en leven zo ánders dan jij (!). Geen dag is hetzelfde en geen patiënt is hetzelfde, dat maakt het super uitdagend en afwisselend.
Je maak af en toe wel gekke dingen mee, waardoor je een boel leuke verhalen spaart! Ik denk af en toe weleens: ‘ wat heb ik nou weer meegemaakt?‘, wanneer een manische patiënt met zijn zonnebril op (binnen) langs me loopt en begint te fluiten omdat ik een ‘vogeltje’ ben, tja dan kan ik wel lachen.  

Het lijkt me soms ook wel heel lastig om zo’n heftige gesprekken te voeren of heb jij daar geen last van? 
Sommige heftige gesprekken kosten inderdaad veel energie, maar meestal krijg ik er ook heel veel energie voor terug. Je moet je voorstellen dat een gesprek met een (vrolijke) manische patiënt heel vlot en gemoedelijk verloopt, daar waar een suïcidale patiënt natuurlijk een hele andere energie met zich meebrengt. Daarnaast voelt het voor mij als belangrijk werk, hetgeen heel relativerend werkt. Maar het maakt absoluut indruk wanneer je heftige verhalen hoort, en die zijn er heel veel. Het leuke binnen de psychiatrie is dat jíj als persoon het diagnosticum bent, je vaart op wat je ziet, denkt en voelt (het typisch onderbuikgevoel). Dat laatste is soms ingewikkeld, maar geeft je veel informatie. Bij sommige gesprekken met patiënten voelt de sfeer drukkend, zwaar, je voelt je eigen energie wegsijpelen, dit kan bijvoorbeeld zijn bij een patiënt in een zware depressie. Van manische patiënten word je zelf vaak ook energieker, het is normaal om iemands energie voor een gedeelte over te nemen. Daarmee helpt je eigen gevoel je dus bij het sturen richting een bepaalde diagnose/klinisch beeld. Je moet goed luisteren naar je eigen gedachten en gevoel: raakt dit me, of waarom irriteert dit me? Dat verplicht je om met je eigen persoonlijke ontwikkeling bezig te blijven en dat is leuk! Je moet je eigen gevoel erkennen en herkennen. Het zorgt er daarmee voor dat je jezelf heel erg goed leert kennen, dat is onvermijdelijk. 
Verder is de manier van gespreksvoering heel belangrijk, jij bent in de lead en stuurt het gesprek. Je moet als het ware boven de stof staan en je vragen met een bepaald doel stellen. Soms is dat doel informatie verzamelen, maar soms is dat ook het testen van iemands reactie. Zo stel je bijvoorbeeld wat meer vervelende vragen wanneer je wilt weten of iemand geïrriteerd of boos wordt om te zien of er potentieel gevaar is. Je moet goed kunnen doorvragen en bepaalde signalen van je patiënt oppikken, maar je moet ook weten hoe je in bepaalde situaties op de ander reageert. Een patiënt met een persoonlijkheidsstoornis die vastloopt vanwege emotieregulatie problemen is heel wat anders dan een psychotische patiënt die zijn medicatie weigert in te nemen en een gevaar is voor zichzelf. Dat vereist dus ook een andere aanpak, en ja dat kan wel eens lastig zijn, maar maakt het vooral leuk en uitdagend! Je hebt gesprekken die écht ergens over gaan en praat over zaken waar patiënten vaak met niemand anders over durven praten’

‘Je voert écht gesprekken, je bespreekt ook de zaken die mensen vaak met niemand durven bespreken’

Hoe zien jouw dagen eruit? 
Ik draai nu met name poli en zie veel patiënten met persoonlijkheidsproblematiek en ADHD of autisme. Eerder werkte ik bij de crisisdienst, kinder- & jeugdpsychiatrie en heb ik stage gelopen op de HIC  (High Intensive Care Psychiatrie Unit) gewerkt, oftewel de gesloten acute afdeling. Bij de laatst genoemde zien je dagen er heel anders uit! Daar begin je je dag met een overdracht waarbij je van de nachtdienst de laatste informatie over de nieuwe patiënten krijgt en de bijzonderheden binnen de kliniek. Direct hierna maak je een dagplanning en loop je eerst visite langs de nieuwe patiënten (of eigenlijk komen ze bij jou) en de patiënten op de gesloten afdeling of zelfs de separeer. Dat is best wel heftig. De separeerruimte is een kale ruimte waar patiënten naar toe gaan als ze een gevaar voor zichzelf of hun omgeving vormen waarbij ze niet op de normale afdeling kunnen verblijven, dit gebeurt alleen als het echt strikt noodzakelijk is. Deze maatregel neem je voor de veiligheid van de patiënt of omgeving, maar gaat (vaak) wel onder dwang dus dat voelt weleens dubbel en duurt het liefst zo kort mogelijk. Opname op een gesloten afdeling is gericht op het stabiliseren van een patiënt in een crisissituatie. Het is dus vaak een korte opname voor stabilisatie of time-out, nadien volgt vaak nadien volgt vaak op andere plekken een traject voor verdere behandeling. 
Naast de dagdiensten heb ik vaker (bereikbaarheids)dienst, dat is eigenlijk voor alle verschillende locaties, bijvoorbeeld ook voor de TBS kliniek. Het kan tijdens zo’n dienst best druk zijn. Je bent tijdens een dienst verantwoordelijk voor het zien van de nieuwe opgenomen patiënten, maar wordt ook gebeld als er problemen ontstaan bij opgenomen patiënten. Een voorbeeld is wat we noemen ‘acting out gedrag’ waarbij patiënten schreeuwen of zelfdestructief gedrag vertonen. Dan is acuut handelen natuurlijk nodig en kun je niet wachten tot de volgende dag. Maar ik word bijvoorbeeld ook gebeld voor medicatievragen of vragen over lichamelijke klachten.  

De patiënten op een gesloten afdeling kunnen niet zomaar vertrekken, mag je patiënten wel onder dwang behandelen? 
In sommige situaties mag dat. Bij patiënten met een onderliggende psychiatrische stoornis, welke daaruit voortkomend een gevaar voor zichzelf of omgeving vormen, oftewel: waar (acuut) ernstig nadeel dreigt, mogen gedwongen behandeld worden mits er een gedwongen maatregel is. Dat heet een crisismaatregel sinds dit jaar, eerder werd dat IBS (in bewaring stelling) genoemd. Dat krijg je niet zomaar: je moet allereerst beoordeeld worden door een psychiater en vervolgens dient de burgemeester toestemming te geven voor het verlenen van de crisismaatregel. Deze maatregel is alleen voor een crisissituatie en daarmee maar 72 uur geldig. Nadien bepaalt de rechter of dit verlengd moet worden of niet. Zo’n maatregel is altijd in het belang van de patiënt (en omgeving). 
Een andere optie is een zorgmachtiging (vroeger heette dit een RM), dat is een machtiging welke ook wordt afgegeven wanneer de psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, maar deze niet acuut is (zoals bij de crisismaatregel). Deze maatregel wordt alleen  aangevraagd wanneer vrijwillige zorg niet mogelijk is en verplichte zorg de enige manier is om ernstig nadeel weg te nemen, weliswaar over een langere periode. Bijvoorbeeld een patiënt welke door middelengebruik telkens een hevige psychose krijgt met gevaar voor zichzelf en dan aangeeft niet behandeld te willen worden. In zo’n situatie mag je iemand dan gedwongen behandelen of opnemen in het belang van de patiënt. Maar er zijn ook genoeg patiënten vrijwillig opgenomen hoor!

Hoe ziet de opleiding tot psychiater eruit? 
De opleiding duurt 4,5 jaar. Het bestaat uit een basisopleiding van 2,5 jaar waarbij je werkzaam bent op verschillende plekken binnen de kliniek zoals de gesloten afdeling en het ziekenhuis, maar ook ambulant zoals binnen een FACT team of de crisisdienst. FACT staat voor ‘Flexible Assertive Community Treatment’ wat wil zeggen dat patiënten in de thuissituatie behandeling en begeleiding krijgen, daarbij kom je dus bij je patiënten thuis in plaats van zij op jouw spreekuur. Daarna volgen twee jaar van verdieping, daarin mag je zelf een keuze maken tussen kinder- volwassen- of ouderenpsychiatrie. 

‘Door corona waren er veel meer eenzame, onzekere jongeren die in een depressie raakten’

Welke opties heb je binnen de psychiatrie? 
Er zijn veel verschillende opties, want je hebt heel veel verschillende ziektebeelden en settings binnen de psychiatrie. Zo heb je onder andere persoonlijkheidsproblematiek, ADHD/autisme, depressie, bipolaire stoornissen, trauma en angststoornissen en psychoses. Het is echt een breed vak. De drie grote stromingen zijn kind & jeugd psychiatrie, volwassen psychiatrie en ouderen psychiatrie. En dat kan poliklinische zorg zijn waarbij patiënten op jouw spreekuur komen of juist de acute crisiszorg en zorg voor opgenomen patiënten. Daarnaast kun je kiezen voor een ziekenhuis of een GGZ-instelling en kan je ook nog kiezen voor de forensische tak. Oftewel, de keuze is reuze! 

 Is het lastig om in opleiding te komen? 
Nee, momenteel zijn er voldoende opleidingsplekken. De vraag naar psychiaters is groot, want er zijn veel patiënten met een psychische aandoening. Momenteel zijn de wachtlijsten helaas erg lang mede door toename van zorgvraag en een tekort aan behandelaren waaronder psychiaters. Je moet natuurlijk wel affiniteit hebben met het vak. Dus als je nieuwsgierig bent, probeer het dan eens!! 

Komt dat door corona? 
Nee, het is al een langer bestaand probleem met veel verschillende oorzaken. Al heeft corona wel invloed natuurlijk. Bij de crisisdienst merkten we dat wel echt, er waren veel meer eenzamere, onzekere jongeren die in een depressie raakten, maar ook chronische patiënten welke ontregelde omdat hun dagbehandeling of dagbesteding niet door mocht gaan door corona. Aan de andere kant zijn er ook genoeg patiënten die meer rust kregen door corona en het juist fijn vonden om thuis te blijven. 

Mis je de lichamelijke ziekten soms niet? Tijdens je geneeskunde studie heb je natuurlijk alles geleerd over het menselijk lichaam en nu hou je je daar helemaal niet meer mee bezig of toch wel?  
Dat ligt eraan op welke werkplek ik sta. Nu ik met name poli doe mis ik dat wel eens, maar tijdens de dienst of op de gesloten afdeling zie je wel veel somatiek. Mijn patiënten kunnen natuurlijk ook een blindedarmontsteking krijgen of een hartinfarct. Daarom onderzoek je de patiënt altijd volledig, prik je bloed en maak je bijvoorbeeld op indicatie een ECG. Als het nodig is kun je overleggen met het ziekenhuis en je patiënt eventueel insturen naar de spoedeisende hulp. Daarnaast moet je ook altijd denken aan somatisch onderliggend lijden bij psychiatrische ziektebeelden. Je bent dus nog zeker een echte dokter!

Hoe veel administratie heb jij? 
Tja de administratielast is helaas hoog, ik denk dat het hetzelfde is dan die van een arts-assistent in het ziekenhuis. Het verschilt ook erg per plek. Ik gok zo’n 50-60%, maar ik vind het moeilijk in te schatten. Ik moet me namelijk uitgebreid inlezen, formulieren invullen (met name bij verplichte en gedwongen zorg), de gesprekken overzichtelijk en volledig uitwerken in de status van de patiënt en ik ben ook veel bezig met veel rompslomp en regelzaken. Maar ik probeer ook wel genoeg directe tijd te hebben met mijn patiënten. 

‘Een psychose kan iedereen overkomen en als psychiater kan je je patiënt dan écht helpen’

Waarom denk je dat mensen kiezen voor de psychiatrie? 
Ik denk wanneer je een diepe interesse hebt in het doen en denken van de mens, je een mensen-mensen bent en wanneer je je interesseert voor zowel biologische, psychische en sociale aspecten van psychiatrische ziektebeelden. Daarnaast kun je op veel verschillende werkplekken werken gedurende je carrière, dat maakt het een divers vakgebied. Er is voor ieder wat wils! Je moet natuurlijk wel affiniteit hebben met je doelgroep en erin geloven dat je je patiënt écht kan helpen. Er wordt weleens gezegd dat je patiënten toch niet beter worden en het onbegonnen zaak is, maar dat vind ik zo kort door de bocht. Je kunt je patiënten helpen, beter maken of stabiel houden. En soms moet je er gewoon voor ze zijn. Je moet je realiseren dat ook jij op een dag zomaar op de stoel van de patiënt kunt zitten, het kan iedereen overkomen. Wist je dat zo’n 43% van de Nederlanders in hun leven te maken krijgt met een psychische aandoening? En dat zo’n 2% van de bevolking ooit in een psychose raakt? Bij iedereen kan de wereld dus even op zijn kop staan waardoor je het niet meer begrijpt. Dat heb ik tijdens mijn werk op de crisisdienst vaak genoeg meegemaakt, en juist dan kun je heel veel betekenen voor iemand. Ziekten als kanker, hartfalen of suikerziekte gaan vaak ook niet over, daar help je je patiënten ook door ze stabiel te houden.  
Als je misschien liever niet in het ziekenhuis wilt werken, maar wel graag een afwisselende baan wilt wat snel en soms acuut is dan zit je bij de psychiatrie echt goed! 

Een laatste tip? 
Doe waar je blij van wordt en wat je energie geeft met de collega’s die je leuk vindt! Je moet je goed kunnen voelen.


Meepraten over dit onderwerp? Of vragen of opmerkingen voor Merel of voor mij?
Stuur een berichtje via instagram!

Blog 10: In gesprek met een militair (huis)arts

De eerste verzoekjes voor blogs komen binnen en dat vind ik dus echt super leuk!
Deze week ga ik daarom in gesprek met Liesbeth Kemkers, moeder van twee kinderen, fietsfanaat en werkzaam bij defensie als militair huisarts. Een totaal onbekende wereld voor mij. 


Liesbeth, wat leuk dat ik jou wat vragen mag stellen! Hoe ben jij terecht gekomen bij defensie? 
Eigenlijk wist ik heel snel wat ik wilde, die struggle over wat je moet kiezen ken ik dus helemaal niet! Ik kwam er tijdens mijn coschappen al vrij snel achter dat ik niet zo goed paste in het ziekenhuis, iedereen was soms zo stug. Daarnaast vond ik defensie altijd al interessant, als ik niet toegelaten was tot de studie Geneeskunde was ik wellicht wel militair geworden. Zodoende heb ik mijn keuzecoschap gevolgd op de kazerne in Assen nadat ik nog enthousiaster was geworden op een open dag. Na mijn keuze-coschap wist ik het direct, dit is het helemaal. 

Wat trok je dan zo enorm? 
Hmm, lastig om één ding te noemen, maar ik denk toch het avontuur. Het is natuurlijk een hele andere wereld, spannend, een echt avontuur. Daarnaast vind ik het heel erg fijn om in teamverband te werken en bij defensie werk je als algemeen militair arts (AMA) écht in een team, je moet op elkaar kunnen bouwen. Wat ook zo leuk is, is dat je bij defensie leert dat je zoveel meer kunt dan je zelf denkt, je verlegt echt je grenzen. 

En hoe word je dan algemeen militair arts? 
Voordat je mag starten met de opleiding moet je eerst gekeurd worden. Daarbij moet je voldoen aan de standaard eisen voor een militair, dat wil zeggen niet medicatie afhankelijk, fysiek fit, minimaal 1.55m, minimaal 55kg, niet kleurenblind en indien bril/lens afhankelijk een niet te hoge sterkte.
De opleiding is eigenlijk heel erg breed en duurt iets langer dan twee jaar. Je begint met een opleiding tot officier en militair aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. In de twee jaar daarna word je opgeleid tot algemeen militair arts. Je begint met een half jaar stage in een huisartsenpraktijk via de normale huisartsenopleiding gevolg door een half jaar op de spoedeisende hulp. Daarna volg je allerlei cursussen over sportgeneeskunde, forensische geneeskunde en je leert van alles over tropengeneeskunde.

‘Die struggle over wat ik moest kiezen ken ik totaal niet!’

Waar zit de opleiding en zijn er veel opleidingsplekken of is het lastig om ertussen te komen?  
De opleiding tot officier is alleen maar in Breda. Voor het deel van de opleiding dat je volgt via de huisartsenopleiding (huisartsgeneeskunde en spoedeisende hulp) kun je overal geplaatst worden. Daar heb je zelf niet zoveel invloed op, dus het kan zomaar zijn dat dat ver van je woonplaats is. Dan kun je in de buurt overnachten op een kazerne, dat noem je binnen slapen, of heb je gewoon veel reistijd. Het aantal opleidingsplekken weet ik niet precies, in mijn tijd waren dat er 24. Je kunt de opleiding tot militair arts volgen bij de landmacht, luchtmacht en de marine. De basis van de opleiding is voor alle drie hetzelfde, maar de oefeningen zijn anders. Ik ben militair bij de landmacht.  

Wat zijn je taken als militair arts? 
Tijdens een gemiddelde week als militair arts begin je de ochtend vaak met sporten zodat je fysiek fit blijft, daarnaast heb je vaker overleggen met je collega ama-artsen of met je commandant. Je bereidt oefeningen voor en geeft les aan de verpleegkundigen. Je werkt ongeveer 1 à 2 dagen op het militair gezondheidscentrum, daar voer je huisarts taken uit en draai je dus spreekuur. 
Een ander groot gedeelte zijn de oefeningen. Als militair arts word je bij een (medische) eenheid geplaatst. In de eenheid vorm je met twee verpleegkundigen, twee verzorgenden, twee helpenden een hulppost. Met je eenheid ga je op oefening. Eigenlijk zijn er twee soorten oefeningen. Ten eerste groene oefeningen, daarbij train je mee in de oefening en werk je achter de gevechtseenheden. Je oefent om een hulppost op te zetten en snel te verplaatsen, je moet wachtlopen en je leert met acute patiënten om gaan en met name te handelen met weinig middelen. Tijdens oefening ga je ook vaak op rantsoen dat betekent weinig slapen, niet douchen en rantsoenen eten. Een ander soort oefening wordt ook wel de non-excercising club genoemd. Daarbij werk je niet direct in het oefengebied maar bouw je een huisartsenpost ter plaatse op. Je werkt dus buiten het terrein en bent de eerste hulp bij kleine ongevallen (zoals verzwikte enkels of geschaafde geïnfecteerde knieën tijdens een oefening) en draait spreekuur voor de gevechtseenheden. 

Ben je ook wel eens op uitzending geweest? 
Ja. Als je de opleiding tot militair arts hebt afgerond ga je vaak op oefening en soms ook op uitzending. Toen ik in opleiding was gingen we minimaal zes keer per jaar op oefening. Zo’n oefening duurt tussen de twee en vier weken en is in Duitsland, Tsjechië of Polen.
Na je opleiding ben je tenminste drie jaar verbonden aan defensie dus dat komt neer op in ieder geval vijf jaar bij defensie. Ik ben twee keer op uitzending geweest, een keer naar Afghanistan voor bijna vijf maanden en een keer naar Sint Maarten, vlak na orkaan Irma, voor ongeveer zeven weken. Het is natuurlijk afhankelijk van de hoeveelheid militaire missies of en hoe vaak je op uitzending gaat. 

Hoe bedoel je tenminste vijf jaar bij defensie? Kun je geen militair arts blijven? 
Nee, dat kan niet. Het is net zoiets als een ANIOS (Arts Niet In Opleiding tot Specialist), dat kun je ook niet blijven, op een gegeven moment ga je verder specialiseren. Militair arts blijf je dus ongeveer vijf jaar, daarna ga je je specialiseren net zoals in het ziekenhuis. De meeste kiezen voor huisarts, militair of civiel (= gewoon de huisarts zoals we die allemaal kennen). Maar de vervolgstap tot bedrijfsarts, sportarts of arts maatschappij & gezondheid wordt ook veel gekozen. Je kunt ook specialist worden met een dubbel dienstverband, dat wil zeggen dat je een aantal dagen per week werkt als specialist in een ‘gewoon’ ziekenhuis en een aantal dagen per week in het militair hospitaal. Want ook in het militair hospitaal zijn eigenlijk alle specialismen nodig zoals in een gewoon ziekenhuis. Revalidatiearts in het militair revalidatiecentrum is ook een optie. 

Jij hebt gekozen voor militair huisarts. Wat is het verschil met een gewone huisarts? 
Eigenlijk zijn de verschillen klein, behalve dat je als militair arts militairen als patiënten hebt. Dat komt omdat alle militairen een militair huisarts hebben en geen civiele huisarts. Dat heeft eigenlijk twee belangrijke redenen. Ten eerste omdat een gewone huisarts niet in kan schatten wat oefeningen inhouden en wat de lichamelijke belasting is. Ten tweede omdat militairen collectief verzekerd zijn en daardoor geen gebruik maken van de standaard gezondheidszorg. Militairen hebben dus hun eigen huisarts, tandarts, fysiotherapeut, maar ook hun eigen ziekenhuis en eigen revalidatiecentrum. Als militair huisarts werk je vaak een aantal dagen op de kazerne, maar ook een aantal dagen in een civiele huisartsenpraktijk om je kennis over kinder- en ouderengeneeskunde te blijven behouden, want kinderen en ouderen zie je op de kazerne natuurlijk niet. Daarnaast doe je diensten op de huisartsenpost in de avonden/nachten en weekenden.

‘Je kunt geen algemeen militair arts blijven, net zoals je geen ANIOS kunt blijven. Je gaat je uiteindelijk specialiseren.’

En wat zijn jouw werkzaamheden als militair huisarts? Ga je dan nog wel eens op uitzending, want ik kan me voorstellen dat dat lastig te combineren is met het moederschap? 
Ik draai nu spreekuur op de kazerne en werk daarnaast één dag per week in een civiele huisartsenpraktijk. In de avonden, nachten of weekenden heb ik af en toe dienst op de huisartsenpost. Als militair huisarts is de kans op een uitzending een stuk minder groot dan als AMA. Het zou wel kunnen, maar dat ligt dus ook aan het aantal uitzendingen. Mijn plan was eigenlijk om vijf jaar als militair arts te werken en me dan te specialiseren tot sportarts of civiele huisarts, maar uiteindelijk ben ik dus militair huisarts geworden. Ik kon mijn opleiding tot huisarts via defensie doen en die kans heb ik gegrepen. Ik vind het nog steeds super leuk om voor defensie te werken en het is net als het huisartsenvak goed te combineren met het moederschap. De opleiding tot militair arts en de drie jaar als militair arts zijn veel lastiger te combineren met het moederschap. Sowieso vergt dat wel wat flexibiliteit en aanpassingsvermogen van niet alleen jezelf, maar ook je omgeving. Maar militair huisarts en moeder zijn is een prachtige combinatie. 

Is je salaris als militair arts in opleiding anders dan dat van een ANIOS in het ziekenhuis? 
Nee, dat is ongeveer hetzelfde. 

En de administratielast? 
Als militair arts in opleiding is dat minder dan dat van een ANIOS in het ziekenhuis denk ik. Maar nu heb ik dezelfde administratielast als dat van een huisarts. 

Heb je nog tips voor mensen die nadenken over het specialisme militair arts?  
Het is het belangrijkst om te kiezen wat je leuk vindt! Militair arts worden kan een heel mooi voortraject zijn als je bijvoorbeeld huisarts of sportarts wilt worden. Maar als je al zeker weet dat je medisch specialist wilt worden, bijvoorbeeld orthopeed of cardioloog, dan is de opleiding tot militair arts wellicht niet de juiste vooropleiding. Het duurt namelijk al twee jaar en nadien dien je nog drie jaar. Maar het is een prachtig vak, een erg breed vak en geeft je zeker ervaring en kennis wat nuttig kan zijn bij verschillende specialisaties nadien. Ik ben nog steeds blij met de keuze die ik destijds gemaakt heb. 


Meepraten over deze blog? Of heb je nog vragen voor Liesbeth? Laat het me weten via Instagram of e-mail!

Blog 9: In gesprek met internist acute geneeskunde en onderwijsfanaat Anique Baten

Deze week ga ik in gesprek met Anique Baten, oorspronkelijk opgeleid tot internist acute geneeskunde, maar ondertussen fulltime werkzaam als onderwijskundig adviseur medische opleidingen en als promovenda o.g.v. medisch onderwijs. Haar missie: een training en inwerktraject ontwikkelen om de transitie van schoolbank naar beroepspraktijk te ondersteunen en jonge dokters zo een veilig en effectief leerklimaat te bieden ter voorbereiding op de eerste dienst. 


Anique, wat leuk dat je mij benaderd hebt voor dit gesprek! Jij bent namelijk een dokter die het anders doet, je bent afgestudeerd medisch specialist maar je hebt je nu gericht op onderwijs. Wanneer wist jij dat je dokter wilde worden? 
Haha, dat weet ik nog precies. Het was september 1994, ik was 11 jaar en keek naar de eerste aflevering van een destijds nieuwe ziekenhuisserie genaamd ER… Heel classic verhaal dus! 
Na mijn VWO werd ik direct ingeloot voor Geneeskunde, na zes jaar studeerde ik af als basisarts. Ik ben na mijn coschappen aan de slag gegaan als ANIOS Interne geneeskunde en kreeg binnen een half jaar een opleidingsplek aangeboden. Ik kwam erachter dat ik goed was in het in kaart brengen van klinische problemen en in staat was om patiënten gedurende dat proces snel op hun gemak te stellen. Na een loopbaan als intensivist of hematoloog te hebben overwogen, kwam ik terecht bij de acute geneeskunde. De acute geneeskunde intrigeerde me en sloot perfect aan bij mijn kwaliteiten. Daarnaast vond ik het werken in teamverband heel fijn; de SEH (Spoedeisende Hulp) voelde als een veilige plek waar je het samen doet.

En wanneer wist je dat je eigenlijk geen dokter meer wilde zijn? Je hebt je hele opleiding tot internist doorlopen, dat is een lange weg!
Nadat ik een plek als fellow bij de hematologie had bemachtigd was er een kort moment van paniek: “Is dit het wel? Kan ik dit wel?” De immense verantwoordelijkheid voelde erg ongemakkelijk, alsof ik noodgedwongen een jas aan moest trekken die me toch echt nog een paar maten te groot was. Uiteindelijk bleek een ander specialisme me dus beter te passen. Ondanks mijn gebrek aan zelfvertrouwen heb ik mijn opleiding vlot doorlopen. Mijn onzekerheid werd door de opleiders gesust; volgens hen “kon ik het echt wel”!
Na vier jaar algemeen interne geneeskunde werd ik een van de eerste fellows acute geneeskunde in Nederland. Ik kreeg veel ruimte van mijn opleiders om de opleiding in mijn ziekenhuis verder vorm te geven en had veel contact met fellows uit andere centra. Ik voelde me binnen de acute geneeskunde als een vis in het water en toch…de onzekerheid bleef. Zeker toen de eindstreep in zicht kwam en ik me meer en meer realiseerde dat ik straks een rol als supervisor op me zou moeten gaan nemen. Door een samenloop van omstandigheden begon ik tegen het einde van mijn opleiding met een promotietraject op het gebied van medisch onderwijs en toen viel plots alles op z’n plaats. Ik vind bezig zijn met medisch onderwijs zo leuk en het geeft me zoveel energie dat ik uiteindelijk niet meer terug de kliniek in ben gegaan. Een keuze waar ik tot op de dag van vandaag nog geen seconde spijt van heb gehad!

‘De immense verantwoordelijkheid voelde ongemakkelijk, alsof ik een jas moest aantrekken die me nog een paar maten te groot was’

Waar houd je je nu mee bezig? 
Ik combineerde mijn promotie de eerste jaren met een baan als docent medische hulpverlening aan de HAN (Hogeschool Arnhem Nijmegen), om in 2018 de overstap te maken naar de ambulancezorg waar ik een functie bekleedde als onderwijsadviseur en –ontwikkelaar. Daar heb ik met veel plezier gewerkt tot afgelopen juli. Per 1 juli ben ik begonnen in mijn nieuwe functie als onderwijskundig adviseur medische opleidingen binnen Isala (Zwolle en Meppel). Hier mag ik mij o.a. bezig houden met het onderwijs voor de coassistenten, de kwaliteit van de coschappen en de opleiding van de arts-assistenten. De transitie van coassistent naar a(n)ios kan ik zo ook duidelijk positioneren als een overgang die alle aandacht verdient. 

Wat goed dat je daar meer aandacht voor wilt vragen! Ik denk inderdaad dat daar gemiddeld weinig aandacht voor is terwijl het een mega stap is en je nog zóveel moet leren als jonge dokter. Waar gaat jouw promotieonderzoek over? 
Ik ben bezig met het ontwikkelen van een onderwijsinterventie om de stap van coassistent naar dokter kleiner te maken en jonge dokters beter voor te bereiden op hun eerste dienst. Aan het medische gedeelte, de medische kennis, wordt uiteraard heel veel aandacht besteed, maar dokter zijn bestaat uit zoveel meer. Welke patiënt ga je als eerste beoordelen? Wanneer bel je je supervisor om te overleggen in de dienst? Hoe ga je om met een zeer ervaren verpleegkundige die het duidelijk niet eens is met jouw beleid? Of met een coördinator op de spoedeisende hulp die vindt dat jij eerder moet overleggen met je achterwacht zodat de doorstroom van patiënten sneller gaat? Wat doe je als je tussendoor ook nog telefoontjes krijgt van verpleegkundigen over patiënten die je niet kent over verhoogde glucosewaarden of het mogen geven van een slaaptabletje? Hoe overleg je überhaupt een patiënt telefonisch met je supervisor, want tijdens dagdiensten kijken ze natuurlijk vaak over je schouder met je mee. Hou houd je overzicht tijdens een drukke dienst? Allemaal naar mijn mening onderbelichte zaken, maar wel heel belangrijk. 

Hoe ziet jouw training eruit? 
Het originele trainingsconcept (PREPARE) bestaat uit 3 trainingsdagen waarbinnen middels verschillende werkvormen de eerder beschreven situaties worden getraind. Ter ondersteuning gebruiken de deelnemers een naslagwerk dat in samenwerking met het team van Compendium Geneeskunde werd geschreven. Dit naslagwerk, dat uiteraard ook los van de cursus kan worden gebruikt, behandelt alles van ABCDE-systematiek tot hoe om te gaan met vragen over afdelingspatiënten. Zowel de inhoudsopgave van dit naslagwerk als het trainingsprogramma zijn gebaseerd op de resultaten van de verschillende deelstudies. Tijdens de lockdown was live onderwijs niet tot nauwelijks mogelijk, daarom zijn we op zoek gegaan naar online alternatieven om de eerste dienst te kunnen simuleren. Dit alternatief vonden we in een nieuw te ontwikkelen webapplicatie. Aan deze webapplicatie (PREPAREsim) wordt momenteel hard gewerkt en hopelijk hebben we er zo over een aantal maanden een heuse online, interprofessionele opleidingstool bij. Binnen PREPAREsim doen artsen en verpleegkundigen/medisch hulpverleners samen dienst op een virtuele SEH. De supervisor is beschikbaar voor overleg en coördineert het spel. Zo bepaalt de supervisor de patiëntenstroom en kan hij/zij bijv. ook vragen van afdelingsverpleegkundigen inschieten. Na afloop van een sessie volgt een uitgebreide debriefing. Hier zit het grootste leerrendement. Ik heb goede hoop dat deze tool tot ver na het coronatijdperk zal bijdragen aan een inspirerende en uitdagende leeromgeving.

Wauw! Dat klinkt super leuk en tegelijkertijd heel leerzaam. Welke geluksvogels hebben deze trainingen mogen volgen? 
Het was tot nu toe alleen nog maar in studieverband voor mijn promotieonderzoek. Ik onderzoek nu mogelijkheden om PREPARE te integreren binnen het opleidingsaanbod van de Isala Academie en hier meteen een laatste deelstudie aan te koppelen.

‘Dokter zijn bestaat uit zoveel meer dan alleen het hebben van medische kennis’

Als jij de cursussen die je zelf hebt ontwikkeld had gehad als jonge arts-assistent of jonge internist denk je dan dat je nog werkzaam was als dokter? 
Goh, dat is een moeilijke vraag. Bij mij ging de 1e overgang (die van coassistent naar dokter) eigenlijk heel soepel door een hele goede mentor. Maar tijdens mijn gehele arts-assistententijd heb ik wel het gevoel gehad dat ik niet goed genoeg was. Ik dacht dat de supervisoren me aardig vonden en betrouwbaar, maar niet goed. Ik dacht altijd dat er een moment zou komen waarbij ik door de mand zou vallen, dat past wel bij het imposter syndroom, iets wat je nu veel vaker hoort. Doordat ik altijd dacht eens door de mand te vallen en niet goed genoeg te zijn denk ik dat de 2e overgang gewoon te groot was. Of ik met mijn eigen leermethode minder aan mezelf getwijfeld had weet ik niet, maar dat zou zeker kunnen. Al denk ik dat er nu sowieso wel meer aandacht is voor de beoordeling van je eigen kunnen in de opleiding door middel van de EPA’s (Entrustable Professional Activities). 

Wat is jouw grote droom op werkgebied? 
Dat PREPARE als evidence based onderwijsinterventie wordt opgepakt door faculteiten en ziekenhuizen in heel Nederland, zodat jonge dokters optimaal begeleid worden in hun overstap naar de praktijk en in het bijzonder in hun voorbereiding op de eerste dienst.

Heb je nog een laatste tip voor coassistenten of jonge dokters? 
Volg je hart en vraag om hulp! 

Wat vond jij het lastigst als beginnende dokter? Kan er nog iets verbeterd worden aan de begeleiding die jij hebt gehad als jonge dokter? Praat mee via instagram!