Blog 32; In gesprek met een AIOS urologie

Laatste vroeg ik jullie of het leuk zou zijn om af en toe ook eens een specialisme uit het ziekenhuis de revue te laten passeren en de meeste vonden dat een goed idee. Vandaag dan eindelijk de aftrap! We beginnen met een klein specialisme in het ziekenhuis waar zeker niet alle coassistenten de kans krijgen om een kijkje te nemen: de urologie.
Ik ga in gesprek met hardwerkende dokter Ella Cauffman, een AIOS bij de urologie die heel enthousiast is over haar werk en ons graag meeneemt.

Wat leuk dat je iets willen vertellen over jouw werk! Vertel eens, hoe zien jouw dagen eruit als uroloog in opleiding? 
Het zijn volle dagen: de urologie is een vak met vele aspecten, en dat maakt het ook zo leuk! Gemiddeld genomen heb je 1 dag per week afdeling, waarbij je om kwart voor 8 begint met visite lopen. Vervolgens heb je de tijd voor administratie. De diagnostiek bij de patiënten voer je zelf uit, zoals het maken van een echo (van de blaas, nieren en prostaat) of cystoscopie (= met een camera in de blaas kijken) of het plaatsen van catheters (blaascatheter, JJ of nefrostomie catheter). Als je op de afdeling staat heb je ook het consultensein en de huisartsentelefoon en zie je zelf de patiënten op de spoed. Dat kan vriezen of dooien, de ene keer is het rustig, maar op sommige dagen komt alles tegelijk en moet je goed prioriteiten kunnen stellen. De rest van de week is gevuld met 1 à 2 dagen op OK, 1 à 2 dagen op de poli en wisselend een dagdeel kleine ingrepen op de poliklinische OK. Op de operatiekamers heb je hele grote ingrepen zoals blaas-, nier- en prostaatverwijderingen (open, laparoscopisch of met de robot), maar ook veel endoscopisch behandelingen (bv transurethrale resectie van blaastumoren en ureterorenoscopie voor nierstenen). Verder heb je nog een heel scala aan andere ingrepen afhankelijk van het ziekenhuis waar je zit, denk bijvoorbeeld aan incontinentie chirurgie en kinderurologische ingrepen. Deze ingrepen leer je gaandeweg uitbreiden tot je ze zelfstandig kunt uitvoeren. Ook op de poli heb je hele wisselende activiteiten: uiteraard zie je zelf de patiënten, maar je doet ook bijna alle diagnostiek zelf zoals eerder genoemd. Naast echo’s, cystoscopieën en plaatsen van catheters, nemen we prostaatbiopten af en maken opspuitfoto’s van de nieren. De patiënten die bij jou komen, kan je soms heel snel van hun probleem afhelpen, maar er zijn ook patiënten die je jaren vervolgt. De meerderheid van de populatie is mannelijk, maar je ziet ook genoeg vrouwen en de patiënten leeftijd varieert van kinderleeftijd tot wel 90 jaar. Dit afwisselende is mijn favoriete aspect aan de urologie. Je hoeft niet te kiezen, het vak heeft alles.
Behalve de klinische werkzaamheden zijn er uiteraard ook neventaken die voor of na de werkdag gebeuren, zoals het voorbereiden en voorzitten van MDO’s en het geven van onderwijs. Als assistent kan je fulltime of parttime werken, de meeste specialisten werken parttime.

Waarom heb je gekozen voor urologie, was het een lastige keuze? 
Ik ben eigenlijk per ongeluk tijdens mijn coschap chirurgie bij de urologie terecht gekomen. Ik was ingedeeld bij de orthopedie, maar dat leek me niets voor mij, dus ik heb geruild. Toen al vond ik het een heel leuk vak.
Ook wist ik al snel dat ik een vak wilde doen met een combinatie van snijdend en beschouwend. Aanvankelijk dacht ik aan gynaecologie, maar dit bleek toch niet helemaal mijn wereld te zijn. Eenmaal bij de urologie als ANIOS voelde ik me meteen op mijn plek.  De combinatie van een vak waarin je moet kunnen doorpakken en dingen kan oplossen, met tegelijk ook veel patiëntencontact en samenwerking met collega’s, paste helemaal bij mij. Alle verschillende vaardigheden en handelingen die je moet beheersen, maakt het uitdagend en afwisselend

Hoe ziet de sollicitatie procedure voor een opleidingsplek eruit? 
De opleiding urologie is geregeld per regio. Je schrijft een brief naar de opleidingscommissie en gaat daarna op gesprek bij de drie opleiders en drie AIOS uit die regio.

‘Het allerleukste aan de urologie is de afwisseling, het vak heeft alles!’

En hoe ziet de opleiding er vervolgens dan uit? 
De opleiding urologie duurt 5 jaar en 9 maanden. De eerste 1,5 jaar, je vooropleiding, volg je bij de chirurgie om de snijdende basis te leren. Bij het urologische gedeelte daarna zit je ongeveer de helft van de tijd in het academisch ziekenhuis en de andere helft van de tijd in een perifeer centrum. Tijdens die jaren werk je als arts-assistent waarbij je de verschillende deelgebieden van de urologie ziet langskomen: oncologie, functionele en reconstructieve urologie, endo-urologie, kinderurologie en andrologie. De laatste maanden van je opleiding doe je een differentiatie binnen een van deze deelgebieden. Als je eenmaal specialist bent, is het overigens goed te doen om een baan te vinden, hetzij beginnend als chef de clinique of soms zelfs meteen in een maatschap.

Is het lastig om een opleidingsplek te bemachtigen. Wat zijn de criteria? 
In regio Maastricht waren er bij mijn sollicitatieronde drie AIOS plekken, dit jaar zijn het er twee. Hoeveel kandidaten er zijn voor die plekken, wisselt van jaar tot jaar, gemiddeld zijn er zo’n twee tot vier kandidaten voor één plek. Klinische ervaring als ANIOS bij de urologie is een vereiste. De meesten hebben één tot drie jaar ervaring voor ze worden aangenomen. Het is niet nodig om gepromoveerd te zijn, al zijn er altijd wel een aantal mensen die dit hebben gedaan. Het belangrijkste is dat je enthousiast bent over het vak en hebt laten zien dat je zowel de technische handigheid hebt die nodig is voor de urologie, als de sociale skills met patiënten en collega’s.

Wat vind je het allerleukst aan jouw baan? En wat het lastigst?  
Het allerleukst vind ik de afwisseling; “never a dull moment”. En dat gecombineerd met fijn patiëntencontact, waarbij je zowel luchtige gesprekken hebt en mensen van hun probleem af helpt met medicatie of een operatie, als de intensievere gesprekken met mensen die bijvoorbeeld last hebben van erectiestoornissen of de diagnose kanker krijgen. Ook het feit dat je patiënten ziet, zelf de diagnostiek en behandeling uitvoert, en nadien zelf de follow-up kan doen geeft veel voldoening. Daarnaast heb je nauw contact met de verpleegkundigen op de poli en afdeling en verschillende andere specialismen, zoals de SEH, huisartsen, radiotherapeuten etc.
Het lastigste wat mij betreft is dat het toch wel een echt ziekenhuisspecialisme is waar ook de bijbehorende uren bij komen kijken. De werkdagen in het ziekenhuis zijn vrij lang, meestal van 07u45 tot 18u-18u30, en daarna moet je je vaak thuis nog voorbereiden.
Je moet ook kunnen schakelen tussen verschillende werkzaamheden. Omdat we een relatief klein specialisme en dus ook een klein team zijn, helpt iedereen waar nodig. Dit is fijn voor de teamsfeer, maar maakt ook dat lange lunchpauzes of vroeg naar huis niet altijd mogelijk zijn.
Verder is het een breed vak waarbij je heel veel aspecten van de geneeskunde uitvoert, maar wel gespecialiseerd in beperkte onderwerpen. Het is dus beduidend minder algemeen dan bijvoorbeeld interne geneeskunde of huisartsgeneeskunde. Dit vind ik er prettig aan, maar het kan een afknapper zijn voor iemand die zich niet wil toeleggen op één deelgebied.

Draai je ook diensten? En hoe zien die diensten eruit?
Bij de urologie is de meeste zorg planbaar, wat ervoor zorgt dat de diensten relatief rustig zijn. Daardoor doen wij onze diensten niet in blokken zoals veel andere ziekenhuisspecialismen, maar achter de werkdagen aan. Afhankelijk van de kliniek en het aantal assistenten in je team heb je gemiddeld 1 keer per 1-2 weken een avond/nacht dienst. Dit is een bereikbaarheidsdienst waarbij je veel telefonisch kan afhandelen, maar ook soms in huis moet komen voor het beoordelen van patiënten op de afdeling of spoedeisende hulp en soms ’s avonds of ’s nachts operaties moet uitvoeren. Hiervoor heb je dan geen compensatie, dus de dag erna werk je gewoon weer. Daarbij heb je ongeveer 1 keer per maand een weekenddienst, die van vrijdagavond tot maandagochtend duurt. Dan krijg je wel die maandag vrij als compensatie. In deze diensten loop je ’s ochtends visite en heb je de rest van de dag in principe bereikbaarheidsdienst vanuit huis waarbij je wel vaak één of soms meerdere keren naar het ziekenhuis moet.
Hoe druk de diensten zijn is niet van tevoren in te schatten: sommige diensten heb je quasi niks te doen en word je nauwelijks gebeld, andere diensten word je continue gebeld en sta je het hele weekend afwisselend op de spoedeisende hulp en de operatiekamer. Maar de dienstbelasting is dus een stuk minder zwaar dan bijvoorbeeld bij de interne geneeskunde, chirurgie of spoedeisende hulp. Daar staat tegenover dat je relatief vaak bereikbaar moet zijn en je af en toe een zware dienst hebt waar weinig compensatie tegenover staat. Persoonlijk vond ik de diensten als assistent meestal wel heel leuk omdat je veel zelf mag en kan doen en interessante patiënten ziet. Daarbij komt dat eenmaal als specialist de diensten wat rustiger worden en je de meeste dingen telefonisch kan oplossen met de assistent.

Hoe veel administratie heb jij? Is dat net zoveel als in het ziekenhuis? 
Ja, je heb ongeveer evenveel administratie als in de rest van het ziekenhuis. Het is een redelijk groot deel van je dagen, maar ik vind dat er wel voldoende tijd voor patiënten overblijft. En hopelijk gaan wij als nieuwe generatie dokters dit straks beter georganiseerd hebben :-).

Heb je tips voor (jonge) dokters die twijfelen over hun opleidingskeuze? 
Het belangrijkste is denk ik om naar het complete plaatje van een vak te kijken. Dus niet alleen of je de werkzaamheden interessant vindt, maar ook wat voor collega’s je krijgt, hoe de werkbelasting is en hoe de opleidings- en baankansen zijn. En verder om niet alleen te kijken naar hoe je assistententijd is, maar ook naar hoe de dagindeling van een specialist eruit ziet. Ik vond bijvoorbeeld bij de gynaecologie de verloskamers een heel leuk deel van het werk, maar als specialist ’s nachts alleen komen opdraven als een bevalling niet goed gaat, leek me helemaal niks.
En voor de rest: het is oké om het niet te weten en verschillende dingen te proberen. Al die ervaringen neem je mee in wat je uiteindelijk gaat doen. En als je benieuwd bent naar een vak, probeer dan eventueel via via te regelen dat je een keer mee kan kijken.

Blog 30: In gesprek met een dokter van het Medical Traineeship van BKV

Deze week ga ik in gesprek met dokter Remi Vanmaris. Hij is 27 jaar oud en volgt een Medical Traineeship bij BKV, waarbij hij momenteel werkzaam is binnen de ouderengeneeskunde. Hij studeerde in 2021 af aan de universiteit van Utrecht via de arts-onderzoeker master SUMMA. Ik ben benieuwd waarom hij gekozen heeft voor een Medical Traineeship bij BKV en wat daar zo leuk aan is! Tevens gaan we in gesprek met Simone van Ham, werkzaam bij BKV als Senior Consultant Healthcare, die ons alle ins and outs kan vertellen over het Medical Traineeship.


Remi, vertel eens. Hoe ben jij bij BKV terecht gekomen?
Eigenlijk via een vriendin. In de bachelor vond ik vooral de theorie van de beschouwende vakken ontzettend leuk, maar met de praktijk van deze vakken in het ziekenhuis had ik minder affiniteit. Huisartsgeneeskunde daarentegen bleek een verrassend goede match, maar tja het is lastig om daar te aniossen. De interne geneeskunde en geriatrie vond ik in het ziekenhuis het leukst, de inhoud vond ik super interessant maar toch had ik het gevoel dat het niet helemaal paste. Ik kon er de vinger niet op leggen. Uiteindelijk kwam ik erachter dat ik de inhoud wel leuk vind, maar dat de manier van werken in het ziekenhuis minder goed bij mij past. Ik kon door de vluchtigheid van het patiëntencontact minder een band opbouwen met de patiënten. Een vriendin was erg enthousiast over het Medical Traineeship van BKV en de ouderengeneeskunde, dus nadat ik geneeskunde had afgerond ben ik, omdat ik ook erg enthousiast was, ook gestart bij BKV.

Hoe ziet een Medical Traineeship bij BKV er dan uit?  
Remi: Een Medical Traineeship duurt circa 2 jaar waarbij je vaak twee keer één jaar op een plek werkt. Je leert dus twee verschillende vakgebieden buiten het ziekenhuis goed kennen. Daarnaast werk je bij het Medical Traineeship niet alleen als arts, maar kun je ook een project opzetten. Ik heb bijvoorbeeld iProve, het portfolio voor de ANIOS, gepromoot en onderzoek gedaan naar de tevredenheid van de gebruikers. Buiten het project en je werk als anios is er tijd voor onderwijs en intervisie. Onderwijs is gemiddeld één keer per maand, het is zowel vakinhoudelijk als vakoverstijgend over bijvoorbeeld de financiering in de zorg of palliatieve zorg. Daarnaast is er intervisie waarbij we in groepsverband met een psycholoog allerlei casuïstiek bespreken en optioneel is er coaching waar we een probleem aanpakken of juist iets waar we al goed in zijn proberen te verbeteren. Het is veel meer dan alleen dokter zijn, er is veel aandacht voor persoonlijke ontwikkeling, dus en dat maakt het leuk, maar ook heel erg leerzaam.
Simone: Ik denk dat intervisie en coaching goed is. Je kunt beter iemand laten excelleren waar iemand goed in is, dan continu aandacht besteden aan de dingen die iemand niet zo goed kan.

Projecten en werken als arts dus. Over wat voor projecten gaat dat dan?
Simone: Trainees mogen zo’n project zelf invullen, maar er zijn ook een aantal projecten vanuit BKV waar je aan deel kan nemen. De projecten worden vaak opgestart na 3 tot 6 maanden werken, en de trainees zijn er gemiddeld 4 uur per week mee bezig. Tijdens een project leer je hele andere competenties dan bij het ‘dokter zijn’ en dat willen we promoten. Veel jonge dokters gaan tegenwoordig een PhD doen om de kans op een opleidingsplek in het ziekenhuis te vergroten, ook dan leer je natuurlijk nieuwe competenties, maar de beweegredenen zijn niet altijd goed. De projecten die de trainees doen zijn veel kleiner dan een PhD, maar laten wel zien dat er meer is dan alleen het dokter zijn.

Kun je eens wat voorbeelden geven van zo’n projecten?
Simone: Zeker! Laatst is er een trainee die een game wilde ontwikkelen voor ouderen om ze actief te houden, maar er zijn ook trainees die deelnemen aan scrumsessies en hun kennis en ervaring delen t.a.v. triagemodellen bijvoorbeeld. Of trainees die als junior consultant bijdragen aan de implementatie van WZD (Wet Zorg en Dwang) processen binnen zorginstellingen. Tevens kun je opleidingsdagen volgen via de Medic Academy of een externe opleiding. Bijvoorbeeld een ABCDE-training voor de ouderenzorg of een driedaagse training expeditie geneeskunde om maar iets te noemen.

Remi: ‘Nooit geweten dat er zoveel te kiezen is buiten het ziekenhuis is’

Simone, wat voor dokters volgen het Medical Traineeship via BKV?
Het Medical Traineeship is eigenlijk bedoeld voor drie groepen dokters. Allereerst voor dokters die niet goed weten wat ze willen, via ons Medical Traineeship kunnen ze kennismaken met meerdere specialismen. Ten tweede voor dokters die meer willen zijn dan alleen dokter. Een steeds groter deel van de dokters willen naast hun uitvoerende baan als arts zich ook op ander vlak ontwikkelen zoals voeding- en leefstijl of projectmanagement. Anderen willen graag bijdragen aan techniek en innovatie en vinden het interessant om betrokken te zijn bij een start up. En tenslotte voor dokters die al wel weten wat ze willen, maar het maximale uit hun jaar of twee jaar aniossen willen halen doordat ze bij ons de combinatie krijgen van werken, coaching, training op maat, een project én intervisie. Maar in principe is elke dokter welkom, een vereiste om deel te nemen aan het Medical Traineeship is dat je je leerbaar opstelt en daarbij, met geven en nemen, ook andere dokters naar een hoger plan helpt.

Hoe ziet jouw traject eruit als trainee Remi?
Ik werk 32 uur per week zoals de meeste trainees. Momenteel werk ik in de ouderengeneeskunde en het bevalt super goed! Ik was vooraf wat huiverig, omdat ik het beeld had dat werken in een verpleeghuis saai en stoffig zou zijn. Dat vooroordeel blijkt totaal niet te kloppen met de werkelijkheid, het is een onverwacht leuk en uitdagend vak, waar je met weinig aanvullend onderzoek een plan op maat maakt voor bijzondere populaties. Ik dacht ook altijd dat als je niet in het ziekenhuis wilde werken, de volgende optie huisartsgeneeskunde was. Nooit geweten dat er zoveel meer buiten het ziekenhuis is. Na mijn jaar bij de ouderengeneeskunde ga ik een jaar binnen de bedrijfsgeneeskunde werken. BKV helpt je met een keuze maken ten aanzien van de vakgebieden waarin je zult gaan werken. Dat gebeurt middels een online assessment, de grote vragen zijn ‘waar vaar jij wel bij? Wat voor type arts ben jij? Welke competenties beheers je al en waarin zou je je willen verbeteren?’ Bijna iedereen wordt het meest gelukkig om te excelleren daar waar je goed in bent. Je kiest dus niet lukraak twee plekken, maar gaat echt samen op zoek naar wat bij jou zou kunnen passen.
Simone: Doordat we met de trainees in gesprek gaan en een online assessment doen en daarbij echt kijken welke plekken bij hun interesses kunnen passen komt het niet vaak voor dat een werkplek niet bevalt. Maar het komt weleens voor natuurlijk. Ook dan helpen we. Het is namelijk de bedoeling dat de trainee kennis maakt met verschillende specialismen en zo op zijn of haar plek komt. Dokters vinden het prettig om onafhankelijk advies te krijgen. Er zijn bijna overal wel mogelijkheden en zo niet, dan vertellen we dat ook eerlijk. Het gaat er ons om dat iemand een YES gevoel heeft om via BKV een passende uitdaging aan te gaan.

Wat vind je het leukst aan de ouderengeneeskunde Remi? En wat het lastigst?
Ik werk momenteel op een GRZ (Geriatrische Revalidatiezorg) afdeling, Daar worden patiënten opgenomen om te revalideren na een ziekenhuisopname wegens bijvoorbeeld een CVA of een heupfractuur. Het allerleukst is dat je enorm generalistisch werkt en je zoveel meer bent dan alleen dokter. Je bent als arts de spil in het web en hebt korte lijntjes met bijvoorbeeld de fysiotherapeut, maatschappelijk werker, psycholoog en manager.  Ondanks dat de “doorsnee” verpleeghuispatiënt vaak een patiënt is met dementie, zijn er veel expertisegroepen, waaronder Parkinson, beademingspatiënten, Korsakov, Huntington en MS.  Het meest uitdagende aspect vind ik het leveren van zorg op maat. Moet je een kwetsbare zieke patiënte bijvoorbeeld nog insturen naar het ziekenhuis en hoe bespreek je dit met de familie? Gelukkig heb je als basisarts wel de tijd en supervisie om dit goed met de patiënt en diens familie te bespreken.

Simone: ‘Het gaat er ons om dat iemand een YES gevoel heeft om via BKV een passende uitdaging aan te gaan.’

Op wat voor plekken kan je nog meer werken binnen BKV?  
Simone: BKV biedt banen aan in de ouderengeneeskunde, ziekenhuispsychiatrie (PAAZ), psychiatrie, bedrijfsgeneeskunde, revalidatie en binnen de verstandelijk beperkten zorg. Daarnaast zijn er af en toe trainees die in het ziekenhuis werken via ons, maar dat komt niet veel voor. Ook zijn er mogelijkheden om naar het buitenland te gaan.

Wat is het voordeel van werken bij BKV in plaats van zelf een ANIOS baan zoeken en direct in dienst zijn van een maatschap of ziekenhuis?  
Remi: Het fijnst vind ik dat BKV je helpt en actief meedenkt. Ze brainstormen met je over wat er bij je past en helpen je nadien om een goede plek te krijgen. Je profiteert eigenlijk van hun netwerk. Daarnaast moet je zelf ook actief aan de bak, elke 4 tot 6 weken hebben we een gesprek over hoe het gaat, dat prikkelt om na te blijven denken wat je wil en wie je bent. Hierdoor kom je sneller tot een plan en verbeter je jezelf ook sneller. Daarnaast is het fijn dat je dingen uit mag proberen, je mag op twee verschillende plekken werken zonder dat daar iets aan vast zit.

Is je salaris anders als je via BKV ergens werkt?
Simone: Nee, trainees worden gewoon betaald volgens het CAO van het specialisme waar ze werkzaam zijn. Ze krijgen hetzelfde als hun collega’s op die werkplek die daar niet werken via BKV. De werkzaamheden en dienstbelasting is namelijk ook hetzelfde.

Als jullie een tip mogen geven, wat zou dat dan zijn?
Remi: Ik heb tijdens het afronden van mijn studie lang getwijfeld of ik wel buiten het ziekenhuis dúrfde te werken. Men zegt altijd dat je daar geen beroepsperspectief hebt, het saai is en als je daar eenmaal voor gekozen hebt je nooit meer binnen het ziekenhuis kunt werken als je dat zou willen. Daarnaast is het ook een stuk imagoverlies, hoe stom dat ook klinkt. Want alle vooroordelen over specialismen buiten het ziekenhuis bleken op heel weinig gegrond. Ik was bijvoorbeeld bang dat ik me minder dokter zou voelen, maar ik voel me júist dokter. Meer dan binnen het ziekenhuis, haha! Maar al die vooroordelen maakte de stap zetten wel des te lastiger. Maar echt, de specialismen buiten het ziekenhuis zijn zó breed, er zit altijd iets tussen wat je leuk vindt! Dus als je benieuwd bent naar de specialismen buiten het ziekenhuis, neem dan gewoon eens een kijkje en durf die stap te zetten! Dat ambitie en buiten het ziekenhuis werken niet samengaan is een vooroordeel waar niets van klopt.
Simone: Volg je hart, durf buiten de gebaande paden te gaan. Probeer en ontdek. Het is een reis, een avontuur, geen tweede keus!


Ben jij enthousiast geworden over het Medical Traineeship bij BKV? Ga dan naar de website en vind alle informatie!

Blog 28; In gesprek met een AIOS bedrijfsgeneeskunde

Deze week een blog over de bedrijfsgeneeskunde: een onmisbaar specialisme op deze website! En wie kan daar nou beter over vertellen dan dokter Anne Marie, een gezellige, enthousiaste dokter die tijd en aandacht wil besteden aan ‘haar’ werknemers en bedrijven, maar daarnaast ook ruim tijd besteedt aan haar eigen hobby’s. Tegenwoordig omschrijven haar vrienden haar als ‘de goeroe in de werk/privé balans’. Ze studeerde van 2012 tot 2018 in Utrecht en deed van alles naast haar studie. Zo werkte ze op de huisartsenpost en heeft ze meegeschreven aan het dermatologie hoofdstuk in Compendium Geneeskunde (eerste editie). Vanaf september 2022 start ze met veel plezier aan de opleiding tot bedrijfsarts. 

‘Wist je dat…’
–          Een arboarts is een arts met een basisopleiding. Een bedrijfsarts heeft nog een extra vierjarige opleiding gedaan op het gebied van arbeid en gezondheid. Daarmee is de titel ‘bedrijfsarts’ een wettelijk beschermde titel.

–          Een zieke werknemer kost gemiddeld 260 euro per dag voor de werkgever.

–          In de Arbowet is opgenomen dat werknemers (desgewenst anoniem!) ook zelf een gesprek kunnen aanvragen met de bedrijfsarts

We vallen meteen met de deur in huis. Waarom is de bedrijfsgeneeskunde het specialisme voor jou? 
Dat bedrijfsgeneeskunde het specialisme zou zijn voor mij, dat werd pas later in mijn jonge dokters carrière duidelijk. Vanaf dat ik het specialisme leerde kennen, merkte ik steeds meer dat dit vak past bij wie ik wil zijn als dokter. Het is een breed specialisme, waarbij je je bezighoudt met gezondheid van werknemers én het bedrijf waar zij werken. Je bent generalist en hebt hierbij aandacht voor de mens in zijn totaalplaatje. Het draait hierbij niet alleen om de ziekte, maar ook om alle factoren die hierop van invloed zijn. Denk bijvoorbeeld aan knieklachten bij overgewicht door een eetverslaving, of rugklachten als uiting van stress bij een alleenstaande ouder of een werknemer die naast zijn of haar werk ook mantelzorger is voor een partner of familielid. Mensen zijn niet alleen hun ziekte, ze zijn zoveel meer. Als bedrijfsarts mag je de mensen echt begeleiden in plaats van alleen de ziekte van een patiënt behandelen. Je maakt daarmee je werknemers, maar ook het bedrijf waar zij werken, vitaler en dat is een prachtige uitdaging! Het is bij uitstek een vak wat zich kan bezighouden met preventie. Het voorkómen van ziekte, dat geeft een extra dimensie aan het werk.

‘Mensen zijn niet alleen hun ziekte, ze zijn
zoveel meer’

Je zegt dat het niet direct duidelijk was dat je bedrijfsarts zou worden, hoe heb je de keuze gemaakt?
Ik heb lang gedacht dat ik internist-infectioloog zou willen worden. Ik heb m’n coschappen hier ook altijd op gericht: een IC stage, mijn onderzoeksstage naar HIV en stage in Tanzania, naast m’n algemene stage bij de interne geneeskunde. Na mijn studie ben ik gaan werken als arts-assistent bij de interne geneeskunde. Ik vond het inhoudelijk prachtig: ik hou van het leggen van de puzzelstukjes bij complexe problematiek. Het leven naast m’n werk deed ik echter vaak maar met de helft van m’n aandacht. De manier waarop ik bezig was met m’n werk, zorgde ook voor lange werkdagen. Daardoor bleef minder of weinig tijd over voor andere dingen. Het kantelpunt was voor mij het moment dat ik doorkreeg dat ik tijdens een gesprek met vriendinnen halverwege niet meer wist wat er gezegd was. Ik had letterlijk maar met een half oor, en dus met halve aandacht, geluisterd. Het begon nadien steeds meer aan me te knagen dat ik stukjes van mijn enthousiaste ik kwijtraakte. Het bracht me aan het twijfelen over m’n carrière keuze. Er kwamen vragen in me op als: wil ik dit? Is de interne geneeskunde daarvoor leuk genoeg? Hoe ziet m’n leven er straks uit als ik op deze manier doorwerk? En, wat ik ook interessant vond en vaak in het ziekenhuis niet mee kreeg, was de vraag: hoe gaat het na het ziekenhuis met de patiënt? Lukt dat allemaal wel thuis en op het werk? Ik wilde overal, zowel in werk als mijn privé leven, voldoende aandacht hebben. Mijn aniostijd bij de interne geneeskunde zat er in februari 2020 op, toen heb ik een pas op de plaats gemaakt en begon mijn zoektocht naar wat ik nou eigenlijk écht wilde.

Hoe zag die zoektocht eruit, en hoe kwam je uiteindelijk bij de bedrijfsgeneeskunde terecht?
Om te beginnen ben ik me gewoon gaan inlezen op internet. Ik heb bijvoorbeeld de KNMG-website bekeken en hierop filmpjes gekeken. Ik kwam tot de conclusie dat er eigenlijk nergens een mooi overzicht bestond, zoals jij eigenlijk aan het creëren bent op jouw blog. Uiteindelijk ben ik bij meerdere specialismen gaan meelopen. Tijdens mijn zoektocht vroeg een oud-huisgenoot of de bedrijfsgeneeskunde niet iets voor mij was. Hij kende iemand, die precies daar vond wat hij mij hoorde zoeken. Eerlijk gezegd, mijn eerste reactie was: ‘hè, gadver, denk het niet’. Ik moest meteen denken aan het ene stoffige college van de bedrijfsgeneeskunde, welke gecombineerd werd met de verzekeringsgeneeskunde. Het stoffige karakter werd ik nu niet meteen erg enthousiast van. Achteraf gezien is dat zo jammer! Want het klopt totaal niet met hoe ik er nu tegenaan kijk. Toch nieuwsgierig gemaakt door zijn suggestie, ben ik ook een dag meegelopen met die connectie van m’n oud-huisgenoot. De manier waarop zij haar spreekuur vormgaf, en hoe trots ze vertelde over haar vak, maakte mij eigenlijk direct enthousiast. Zij liet me zien dat je voor de werknemers echt een luisterend oor kunt bieden en hen helpen met hun klachten. Daarnaast mag je op grote schaal meedenken over preventie en vitaliteit binnen een bedrijf, waarvoor je de signalen binnen je spreekuur ook gebruikt. Je hebt veel autonomie en kunt daarom invloed uitoefenen op je eigen agenda. Binnen de arbodienstverlener waar ik werkzaam ben, gericht op de grootzakelijke markt, wordt het aangemoedigd om je eigen ik, inclusief sterke en zwakke punten, onder de loep te blijven nemen. Zo ontwikkel je je tot de bedrijfsarts die jij wil zijn. Voor mij is dit een topcombinatie gebleken.
Ik moet er wel bij zeggen dat die zoektocht best lastig was. Ik had heel erg het idee dat wanneer ik naar banen buiten het ziekenhuis zou kijken, ik nooit meer in het ziekenhuis aan de slag zou kunnen. Ik vond de interne geneeskunde ontzettend leuk (en nog steeds!). Het voelde alsof ik dat eerst helemaal aan de kant moest zetten voordat ik verder mocht kijken. Dus het vergde best een beetje lef om dat te durven doen. Maar ik ben blij dat ik mezelf die oriëntatie gegund heb! Een passende opleiding en baan: het is zo’n groot en belangrijk iets, daar moet je goed over nadenken. Die vooroordelen over de specialismen buiten het ziekenhuis en dat idee dat je niet meer in het ziekenhuis kunt werken als je verder gekeken hebt, helpen natuurlijk niet. Tijdens de opleiding maken we elkaar soms zo bang voor van alles en nog wat. Echt onnodig! Want uiteindelijk komt alles altijd op z’n pootjes terecht, als je maar actief naar jezelf en je keuze durft te blijven kijken. Ik ben ervan overtuigd dat wij, als dokters (in spe), het ons meer mogen gunnen om buiten de comfort zone te kijken richting het onbekende en dit ook te ervaren.  

Zonde dat negatieve imago rondom de bedrijfsgeneeskunde!  
Ja, dat absoluut! Vooral omdat het op zo weinig gebaseerd is. Mensen weten er te weinig van. Ik mocht laatst met een collega spreken op het nationaal coassistenten congres over de bedrijfsgeneeskunde. De vragen uit de zaal bleven maar komen. Geneeskunde studenten kennen het specialisme nauwelijks. En, onbekend maakt onbemind!

Ik moet eerlijk zeggen dat ik eigenlijk ook geen idee hebt wat een bedrijfsarts precies doet en hoe het werkt met de opleiding enzovoorts. 
Dat snap ik! Hoe veel onderwijs heb je erover gehad? Meestal is dat weinig tot niets. En qua coschappen: bij de meeste universiteiten kun je ingedeeld worden bij de bedrijfsgeneeskunde tijdens het korte coschap sociale geneeskunde, maar velen worden ook elders ingedeeld. En onderwijs of colleges over de bedrijfsgeneeskunde van enthousiaste artsen zijn er eigenlijk ook te weinig. Dus tja, het is logisch dat de meesten er zo weinig van weten. 

‘We maken elkaar soms zo bang tijdens de opleiding, onnodig! Uiteindelijk komt alles toch wel op z’n pootjes terecht’

Aangezien zo weinig geneeskunde studenten en jonge dokters weten wat een bedrijfsarts doet. Vertel eens over jouw werkdagen/weken! 
Elk bedrijf heeft in principe een bedrijfsarts in dienst. Als iemand ziek is (gedeeltelijk of geheel niet kan werken) gaat iemand naar de bedrijfsarts. Het is een beetje verschillend op welke termijn dat is, dat is afhankelijk van de werkgever, maar maximaal na zes weken. Als bedrijfsarts begeleidt je dan iemand in zijn of haar ziekteproces en het terugkeren naar de werkzaamheden. Dit noemen we re-integratie. Vanuit mijn bevindingen tijdens het spreekuur stel ik vast wat iemands beperkingen zijn, en die vertaal ik dan in mogelijkheden richting het werk. Soms lukt het werken helemaal niet, maar veelal kan iemand in aangepaste vorm in het arbeidsproces blijven. Uiteindelijk breng ik een onafhankelijk oordeel en advies uit naar de werknemer en werkgever. Inhoudelijke informatie wordt nooit gedeeld, ook wij hebben ons beroepsgeheim. Stel je een werknemer voor, normaliter oefent diegene een fysiek beroep uit, die zijn been heeft gebroken. Dan kan een advies er als volgt uitzien: ‘Uw werknemer is ziekgemeld sinds XXX ten gevolge van een medische aandoening, waardoor uw werknemer beperkt is in langdurig (trap)lopen, knielen, hurken, kruipen, klimmen, staan.’ Daarna omschrijven we de mogelijkheden voor de werknemer en werkgever zoals: ‘uw werknemer is geschikt voor zittende werkzaamheden’. We leggen de nadruk op het denken in mogelijkheden in plaats van beperkingen. Dit maakt het erg positief. Ten aanzien van de ziekte win ik gedurende het ziekteproces veelal informatie in bij behandelaren zoals de huisarts, een specialist in het ziekenhuis, psycholoog of fysiotherapeut. Ik merk vaak dat behandelaren terughoudend zijn om iets te zeggen over de medische gegevens als ik contact opneem. Ze vragen zich af wat ze wel en niet mogen en kunnen zeggen. Het is goed om te beseffen dat we als artsen, naast ons beroepsgeheim, allemaal het zelfde doel hebben: een gezonde participatie van de samenleving. Ik vind het belangrijk om nog even in te gaan op het woord onafhankelijk, dit wordt soms in twijfel getrokken gezien werkgevers verplicht zijn om een bedrijfsarts in de arm te nemen. Ik durf hier volmondig op te zeggen dat wij als bedrijfsarts zowel gevraagd als ongevraagd advies geven, en hierin geen afhankelijkheid hebben richting de werkgever. Neem bijvoorbeeld mijn eigen dienstverband. Ik ben in dienst van mijn eigen bedrijf – de arbodienstverlener – en niet van de werkgever waar ik advies aan geef. Dit waarborgt je onafhankelijke positie. Ik werk nu bij een arbodienstverlener die preventie hoog in het vaandel heeft staan. Je ziet namelijk als bedrijfsarts vaak dat mensen pas komen als het echt niet meer gaat. Dit wordt veelal voorafgegaan door verschillende losstaande ziekmeldingen. De belastbaarheid is vaak al zo ver afgenomen, dat het lastiger is om dingen weer op te pakken. Daarom wordt preventie zo belangrijk gevonden. Hier kunnen wij een grote rol in vervullen. Bijvoorbeeld bij mensen die nog wel prima functioneren, maar wel klachten ervaren. We kunnen dan samen kijken naar oplossingen voor de problemen zodat mensen niet uitvallen. Mijn werkdagen vullen zich, naast spreekuren, met overlegmomenten of werkplekbezoeken.

En als je dan je advies hebt gegeven aan de werknemer en de werkgever: wat dan?
Je geeft advies, en schrijft dus geen therapie of medicijn voor. Daarna zie je de patiënt terug om te kijken hoe het gaat en of er verbetering heeft plaatsgevonden van de belastbaarheid. De termijn waarop je iemand terugziet is afhankelijk van het soort klacht: voor psychische klachten in de beginsituatie à 3 weken en voor lichamelijke klachten à 6 weken, maar op indicatie natuurlijk vaker. Je ziet werknemers in principe niet langer dan twee jaar. Na twee jaar komt iemand namelijk bij de verzekeringsarts, en wordt gekeken of, en in welke mate, iemand een WIA uitkering zal krijgen. Wat ik zo leuk vind aan het vak is dat je als bedrijfsarts soort van de ‘manager’ bent van het totale plaatje van de werknemer en diens ziekteproces.

In wat voor team werk je?
De arbodienstverlener waar ik werk stimuleert het werken in teamverband voor een werkgever. Wij noemen dit een klantteam. Zo werk je onder andere nauw samen met arbo-verpleegkundigen, adviseurs, arbeidsdeskundigen, ergonomen en veiligheidskundigen. De dienstverlening wordt ondersteund door onze gezondheidscoördinatoren. Het overleggen met andere artsen vindt laagdrempelig plaats en we weten elkaar goed te vinden. Overigens is het binnen ons vak ook mogelijk om als ZZP’er te werken. Zo is er voor ieder wat wils!

Hoe kom je in opleiding en hoe ziet die er vervolgens uit?
De opleiding duurt 4 jaar. Naast het doorlopen van het curriculum, loop je verschillende stages zoals bij het UWV, revalidatieprogramma’s, en re-integratiebegeleiding. Dit is voor een groot deel zelf in te vullen, afhankelijk van je eigen ontwikkeldoelen. Het wordt gestimuleerd om je te ontwikkelen in een bepaald aandachtsgebied, net zoals dat de ene huisarts extra veel weet van huidaandoeningen en de ander zich toegelegd heeft op het zetten van spiraaltjes en wegsnijden van plekjes. Zo kun je als bedrijfsarts ook zelf een expertisegebied innemen (bijvoorbeeld kanker of infectieziekten), maar je kan ook generalistisch blijven.
Er zijn twee organisatie waar je in opleiding kunt: SGBO (Nijmegen) en NSPOH (Utrecht). Anders dan in het ziekenhuis, wordt de opleiding niet door het rijk betaald, maar in principe door je werkgever.

‘Anne Marie als goeroe in de werk/privé balans’

Nog even over die werk-privé balans aangezien jij een echte goeroe bent op dat gebied. Hoe doe jij dat?
Om te beginnen scheelt het enorm dat mijn werkdagen regelmatig zijn: we hebben geen diensten. Zoals al aangegeven geeft de autonomie in dit werk je een bepaalde vrijheid richting het inplannen van je agenda. Wat betreft je werkdagen weet je dus waar je aan toe bent. Qua privé dingen probeer ik echt in te plannen wanneer en waaraan ik tijd en aandacht besteed. Dit is dus inclusief m’n gewaardeerde ‘me-time’!
Dat stimuleert om jezelf elke keer af te vragen of er wel voldoende tijd is voor jezelf, en voor de dingen waar je je mee bezig wil houden.
Wat ik heb geleerd uit m’n zoektocht, is dat het belangrijk is om te blijven analyseren en heroverwegen: ben ik nog op mijn plek? Ben ik gelukkig in wat ik doe? Ik probeer daarop mijn keuzes te baseren, en niet op wat andere mensen zouden denken of vinden. Natuurlijk is dit altijd een uitdaging, maar ik ben tot de conclusie gekomen dat het nodig is om een gezonde portie schijt te hebben en je eigen weg te kiezen! 

Heb je nog een Gouden tip voor de lezers?  
Bedenk jezelf dat het leven veel te kort en kostbaar is om bezig te zijn met dingen waar je niet gepassioneerd over bent. Doorloop vooral je eigen route, en zet hierin je geluk op de eerste plek.

Blog 26; in gesprek met medisch-adviseurs van VvAA

Het was even wat stiller op de website, maar vandaag is er weer een splinternieuwe blog! Ditmaal ga ik in gesprek met Henrike en Jobien, beide hebben ze langere tijd gewerkt als arts in de kliniek en beide hebben ze de switch gemaakt naar arts zijn bij VvAA. Ze werken als medisch adviseur en geven ons een inkijkje in hun keuzes en in hun werkende leven.

Hoe ziet jullie werk als medisch adviseur eruit?
Henrike: Mijn taak als medisch adviseur is o.a. advies geven over aansprakelijksheidszaken. In de zaken die ik doe gaat het vrijwel altijd om een huisarts aangezien ikzelf afgestudeerd huisarts ben. Concreet betekent dat wanneer een arts (verzekerd bij VvAA) aangeklaagd en beschuldigd wordt van het veroorzaken van schade of leed bij een patiënt dat ik me als medisch adviseur verdiep in de casus en beoordeel of de arts medisch gezien juist gehandeld heeft. Daarbij is vooral belangrijk of de arts heeft gehandeld zoals zijn gemiddelde collega zou hebben gehandeld en niet of het met de kennis achteraf anders had gekund. Ik geef daarbij een advies aan de schade behandelaar en zij beoordelen of ze de aansprakelijkheid erkennen ja of nee. Het werk als medisch adviseur is overigens vaak wisselend. We geven ook adviezen over schades die ontstaan zijn door ongelukken, annuleringen van reisverzekeringen ed. Medisch adviseurs werken op heel verschillende plekken, ons werk is daarom niet onder één noemer te brengen.
Jobien: Ook ik werk als medisch adviseur en houd me voornamelijk bezig met medische aansprakelijkheid, meestal bij zaken waarbij een internist betrokken is aangezien ik internist ben. Daarnaast heb ik ook een aantal andere taken. Zo geef ik richting en inhoud aan het medisch risicomanagement en preventie, onder meer door analyse van de claimdata en het delen van de inzichten met de verzekerde zorgverleners en zorginstellingen. Ik kan, mede doordat ik zelf in het ziekenhuis gewerkt heb, de verbindende schakel zijn tussen grote instellingen en VvAA op het gebied van preventie; géén afvinklijstjes vanuit de verzekeraar, maar ondersteuning bieden bij het kwaliteitsbeleid van de instelling. In gezamenlijkheid ontwikkelen we dan een preventie strategie. Verder vertolk ik binnen VvAA  “de doktersstem”  bij ontwikkelingen. Zo heb ik bijvoorbeeld mee gedacht over de ontwikkeling van een medische aansprakelijkheidsverzekering voor ziekenhuizen en speel ik een rol in de profilering van VvAA op thema’s rondom klachten en claims. Zo organiseren we bijvoorbeeld webinars over klachten en claims.

Jobien, over wat voor onderwerpen gaan zulke webinars dan?
Bijvoorbeeld over wat goede dossiervoering is. Wat hoort erin te staan en hoe vermeld je bepaalde zaken? Daarnaast hebben we laatst een webinar gegeven over hoe om te gaan met een ontevreden patiënt. Elke dokter zal dat in zijn of haar carrière eens mee maken, het is goed om te weten hoe je daar mee om kunt gaan, welke wegen je het beste kan bewandelen, hoe je er voor zorgt dat een klacht of claim je niet teveel uit balans brengt.

Henrike, waarom ben je gestopt met huisarts zijn en hoe ben je bij de VvAA terecht gekomen?
Ik ben zo’n 7 jaar huisarts geweest, maar ik voelde op een gegeven moment dat dat niet langer was wat ik graag wilde. Dat had eigenlijk met meerdere dingen te maken, een deel daarvan was dat de vele (vaak korte) contacten mij onvoldoende energie opleverden. Ik voelde een bepaalde verantwoordelijkheid voor het geluk van de persoon aan de andere kant van de tafel wat ik niet prettig vond. De praktijk waar ik werkte vond ik wel heel erg leuk. Ik zag collega’s elke dag blij worden van hun werk en merkte dat ik dat niet meer had. Ik wist dus dat ik geen huisarts meer wilde zijn, maar tja, wat ga je dan doen? Uiteindelijk ben ik na een periode goed nadenken eerst gestopt met mijn praktijk. Dat was een hele stap. Na een half jaar kwam ik via via bij de VvAA terecht, sinds begin 2021 werk ik als medisch adviseur en dat bevalt enorm goed!

Ik had het idee dat ik pas kon stoppen met huisarts zijn zodra ik wel wist wat ik wilde.’

Was het voor jullie een lastige keuze om te stoppen als arts?
Henrike: Ja, ik vond het best lastig. Met name omdat ik goed wist dat ik geen huisarts meer wilde zijn, maar niet goed wist wat ik dan wel wilde. Ik had het idee dat ik pas kon stoppen zodra ik wist wat ik wilde. Uiteindelijk was de stap om te stoppen het belangrijkste, die gaf daarna ruimte om mij opnieuw te oriënteren.
Jobien: Ik werk nu dik 2,5 jaar bij de VvAA en heb 10 jaar gewerkt als internist. Ik vond het contact met de patiënt het allerleukst, maar door de hoge administratielast was daar steeds minder tijd voor. Ik kreeg ook het gevoel dat ik stil stond in mijn ontwikkeling, terwijl ik graag verder wilde leren  en nieuwe ervaringen wilde opdoen. Dat heb ik in het begin ingevuld door mijn werk als internist te combineren met neventaken zoals bijvoorbeeld onderdeel te zijn van het dagelijks  bestuur van de vakgroep waarin ik werkte. Ik ben ook iets minder dagdelen als internist gaan werken om in de raad van bestuur van een eerstelijns diagnostisch centrum te werken.  Maar uiteindelijk merkte ik, net als Henrike, dat het werken als internist mij steeds minder energie opleverde in verhouding tot de energie die ik er in stak. Toen begon ook steeds zwaarder te wegen dat ik weinig tijd overhield voor andere dingen zoals mijn gezin en mijn hobby’s. Die afweging is natuurlijk voor iedereen anders maar uiteindelijk ben ik ontzettend blij met mijn keuze. Als ik mijn keuze aan collega’s uitlegde begrepen ze het wel.  Sommigen gaven zelfs toe dat zij ook weleens twijfelden en vonden het geruststellend dat, mochten zij ook ooit voor de keuze staan,  er ook andere interessante functies zijn, ook buiten het ziekenhuis.

Hoe belangrijk is het dat je opgeleid bent als dokter als je medisch adviseur bent?
Jobien: Heel erg belangrijk! Als dokter begrijp je de arts-patiëntrelatie, de dossiervoering, weet je hoe dingen soms kunnen lopen in het ziekenhuis, snap je de taakverdeling en ga zo maar door. Het leuke voor mij nu is dat ik de wereld van de dokter vanuit een andere positie leer kennen. Maar er zijn veel raakvlakken, ik sta nog steeds voor een goede kwaliteit van zorg en een continue verbetering.

‘Accepteer dat carrièrewensen en verwachtingen kunnen veranderen’

Hoe ziet jullie week er praktisch gezien uit?
Henrike: Door Corona heb ik vrijwel alleen maar thuis gewerkt. Mogelijk dat ik straks één keer per week naar kantoor ga voor overleggen. Ik zit veel achter de computer en werk zelfstandig aan de zaken. Een aantal keer per week heb ik een overlegmoment met collega’s of juristen. Ik werk momenteel 2,5 dag.
Jobien: Mijn weken zijn wisselend. Ik heb weken met veel overleggen, maar ga soms ook naar klanten toe. Daarnaast werk ik zelfstandig, maar ook veel in groepsverband. Het is ontzettend afwisselend. Het fijne is dat ik mijn agenda aardig goed zelf kan indelen.

Hebben jullie nog tips voor de lezers van deze blog?
Henrike: mijn belangrijkste tip is om je vooraf goed te oriënteren wat bij je karakter past. Daaropvolgend is mijn andere belangrijkste tip dat je gedurende je carrière je keuzes kunt bijstellen/evalueren. Die wetenschap geeft veel vrijheid.
Jobien: Daar sluit ik me bij aan! Accepteer van jezelf dat je carrièrewensen en verwachtingen kunnen veranderen en luister daarnaar. Het brengt je op nieuwe plekken met nieuwe energie.


Wil jij ook iets vertellen over jouw werk en de keuzes die je gemaakt hebt? Mail naar mailto:doktersdiehetandersdoen@gmail.com

Blog 24; In gesprek met een AIOS radiotherapie

Deze week ga ik in gesprek met dokter Anne Cobussen, arts in opleiding tot radiotherapeut-oncoloog. Radiotherapie is een medisch specialisme waar ik voordat ik aan de slag ging binnen de interne geneeskunde en oncologie niet eerder van gehoord had. Zonde, want het is een prachtig specialisme!

Wist je dat..?
– Een radiotherapeut niet hetzelfde is als een radioloog?
Dit wist 79% van de stemmers via de Instagram pagina van @doktersdiehetandersdoen.

– Een radiotherapeut meer doet dan alleen in een hokje zitten en bestralen. Sterker nog, een radiotherapeut zit helemaal niet in dat hokje te bestralen, dat doen de laboranten!
84% van de stemmers wist dit. Side note: de radioloog zit natuurlijk ook niet de hele dag in een donker hokje ;).
– Je technisch niet perse heel erg goed hoeft te zijn om radiotherapeut te worden. Er zijn veel laboranten en klinisch fysici die het technische gedeelte op zich nemen.

Anne aan het werk als AIOS radiotherapeut-oncoloog

Anne, hoe kwam jij eigenlijk in aanraking met de radiotherapie?
Ik was destijds werkzaam bij de gynaecologie en daar vroeg iemand het me: ‘Anne, is de radiotherapie dan niks voor jou?’ Ik dacht toen, die mensen zitten in een hokje en ze bestralen, dat is toch juist echt helemaal niks voor mij. Geen idee hoe mis ik het kon hebben. Ik ben me er toen wel in gaan verdiepen en ben meegelopen en vanaf het eerste moment was het alsof alle puzzelstukjes van de jaren ervoor op zijn plek vielen. Dit vak had alles wat ik zocht in mijn werk als arts. Dus ja ik was verkocht en ben er meteen vol voor gegaan, want ik wist zeker, dit is mijn vak! 

Je zegt: ‘het vak heeft alles wat ik zocht’. Wat zoek jij in een baan? Was het lastig dat te vinden?
Ik heb lang gezocht naar wat ik precies als arts wilde. Ofja, ik wist heel goed wat ik wilde, maar ik kon het nergens overal terugvinden: ik wilde intensief patiëntencontact, ik vond intimiteit belangrijk, wilde de diepte in qua kennis, diversiteit in mijn werk, maar ik hield ook niet van het competitieve wat je vaak zag, het ellebogen en de werkdruk. 
Lange tijd dacht ik de gynaecologie in te willen gaan, die eerste facetten komen hier allemaal aanbod, maar de dingen waar ik juist tegenop zag zijn hier ook aanwezig: het ellebogen en de werkdruk. Ik heb toen eerst mijn wetenschapsstage bij de gynaecologie-oncologie gedaan en daarna ook mijn semistage bij de gynaecologie. Al na een paar weken kwam ik erachter dat ik de verloskunde helemaal niks vond. En ja, dan moet je geen gynaecoloog worden. De gynaecologie-oncologie daarentegen was helemaal mijn ding en terugkijkend was de oncologie in alle andere specialismen ook mijn ding.

‘Toen iemand me vroeg of de radiotherapie niet iets voor mij was dacht ik dat het juist helemaal niéts voor mij was. Hoe mis kon ik het hebben!’

Wat is je taak als radiotherapeut?
Als radiotherapeut-oncoloog begeleid je patiënten tijdens hun bestralingstraject. Het is geen diagnostisch vak, patiënten komen bij ons als ze al een diagnose hebben. Als radiotherapeut doe je de intake waarbij je vooral te weten wilt komen hoe een patiënt conditioneel is, wat het traject is geweest, sociale vangnet en doe je, indien geïndiceerd een lichamelijk onderzoek. Daarna leg je uit wat het bestralingstraject inhoudt en wat ze kunnen verwachten aan bijwerkingen. Tijdens de bestralingen zie je je patiënten op controle en bij sommige deelgebieden ook nog tot 5 jaar na behandeling. Zo doen wij bijvoorbeeld bij bepaalde doelgebieden (oa prostaat en gynaecologie) de follow-up afwisselend met de hoofdbehandelaar. Verder bepaal je als radiotherapeut-oncoloog welk bestralingsplan een patiënt krijgt, hier zijn vaste protocollen voor, maar soms moet je hier ook een beetje mee spelen, bijvoorbeeld in de recidiefsetting. Vervolgens teken je het doelgebied in. De laboranten maken een bestralingsplan en als arts ben je verantwoordelijk om dit te beoordelen en te accorderen. Soms worden we op het bestralingstoestel erbij geroepen als er een match niet klopt (bijv dat de tumor buiten het doelgebied ligt door bijvoorbeeld veel lucht in de darmen) en moet je beslissen of een bestraling wel of niet door kan gaan, of dat er extra maatregelen genomen moeten worden.  
Daarnaast houd je je bezig met brachytherapie, een speciaal onderdeel van de radiotherapie. Dit wordt bij gynaecologische- en prostaatcarcinoom veelal ingezet. Bij het uitvoeren van deze inwendige bestraling ben je als radiotherapeut-oncoloog nog wat meer met je handen bezig: zo plaatsen we zelf de bestralingsapplicator en de naalden waar de straling doorgaat, of bijvoorbeeld de jodiumzaadjes die de meeste wel zullen kennen bij prostaatkanker.

Dat is veel breder dan ik in eerste instantie dacht! Maar hoe word je eigenlijk radiotherapeut?
Na de bachelor en master geneeskunde kun je de opleiding tot radiotherapeut volgen in verschillende centra. De opleiding is in totaal 5 jaar en is echt op de oncologie gericht. Het grootste deel van de opleiding volg je bij de radiotherapie met stages in de verschillende doelgebieden. Verder hebben we een half jaar klinische stage, die wij vanuit Maastricht bijna altijd bij de interne oncologie volgen, daar ben ik nu mee bezig. Daarnaast hebben we nog 3 maanden radiologie, 6 maanden een vrije stage en aan het einde van de opleiding nog een verdiepende stage. Ook volgen we 1 jaar bij de radiotherapie in het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven, waarin je vrij bent om je doelgebieden te kiezen. We hebben in de opleiding dus best wel wat vrijheid om bepaalde stages in te delen en je eigen richting te kiezen. Zo is het voor mij heel duidelijk dat ik me wil profileren in de brachytherapie en gynaecologische en urologische tumoren. Ik ben hiervoor van plan om  in mijn vrije stage naar Aarhus in Denemarken te gaan, om me daar verder te specialiseren in de brachytherapie bij gynaecologische tumoren.

Is het lastig om een opleidingsplek te bemachtigen en wat zijn de criteria?
Ik ben direct vanuit de geneeskunde opleiding aangenomen voor de opleiding tot radiotherapeut-oncoloog in Maastricht. Ik had ook in Nijmegen gesolliciteerd, maar daar raadden ze me aan om eerst een jaar klinische ervaring op te doen. In Maastricht hoefde dat niet. Van verhalen hoor ik dat de eisen in de randstad hoger zijn en je bijvoorbeeld gepromoveerd moet zijn of met onderzoek bezig moet zijn, maar dat weet ik niet zeker hoor, want ik heb daar niet gesolliciteerd. Het lastige is dat er weinig tot geen ANIOS plekken bij de radiotherapie zijn, het is dus heel lastig om in dit vakgebied ervaring op te doen als basisarts. Ze zijn dus in mijn ogen ook zeker niet op zoek naar de beste AIOS, maar wel daar degenen die dit vak echt willen uitoefenen en hier goed over nagedacht hebben en er een goed beeld van hebben.

Hoe ziet voor jou een gemiddelde werkweek eruit?
Een werkweek van een radiotherapeut is heel divers: je ziet nieuwe patiënten en controle patiënten op de poli, neemt deel aan MDO’s (multi disciplinaire overleggen red.), maakt tussendoor de intekeningen voor de bestralingen, beoordeeld deze en kan voor allerlei zaken naar het toestel of CT-scan gebeld worden bij bijzonderheden om mee te kijken. Zeker als brachy radiotherapeut komt hier nog meer afwisseling bij kijken. Als ik zo kijk kan ik wel een heel boekwerk maken over dit fantastische vak. Als AIOS (arts in opleiding tot specialist red.) doe je eigenlijk alle bovenstaande zaken ook, maar dan onder supervisie. In Maastricht zijn we als AIOS boventallig, wat betekent dat je in eerste instantie de patiënten uit de agenda van je supervisor kiest. Je mag dan kiezen om die patiënt zelf te zien zonder supervisor, maar je mag er ook voor kiezen dat je de patiënten samen met je supervisor ziet waarbij jij het gesprek doet. Op deze manier krijg je dus directe supervisie en feedback en leer je ontzettend veel! Later in je stage krijg je steeds meer eigen patiënten en doe je natuurlijk zelf alle controles.

Wat vind jij het allerleukste aan je baan? En wat vind je minder leuk?
Pfoe, dat is een lastige vraag. Het is gewoon zo’n mooi vak, ik vind heel veel leuk: de diversiteit in het werk, de tijd voor de patiënten en dat ik alle aspecten die ik belangrijk vind terug heb kunnen vinden hier. Het mooie is dat je de patiënt, de anatomie, het medische probleem en de technische mogelijkheden met elkaar combineert om zo tot het beste beleid te komen.
Ik vind het in opleiding zijn soms best lastig en dat het niet alleen maar je werk is, maar dat je ernaast nog allerlei zaken moet doen (onderwijs verzorgen, onderzoek, artikelen lezen etc). Daarnaast stel je zelf geen diagnose. Ik vind dat zelf totaal geen probleem, maar als je dat wel leuk vindt zit je hier niet op de goede plek.

Je combineert de gegevens van de patiënt, de anatomie, het medische probleem en de technische mogelijkheden om tot de beste behandeling te komen

En hoe zit het met diensten? Heb je die eigenlijk wel?
We hebben bereikbaarheidsdiensten, 5 dagen achter elkaar. Tijdens deze diensten kan je gebeld worden door patiënten, verwijzers of laboranten als er bestraald wordt. Hoe vaak je gebeld wordt wisselt heel erg. Er zijn dagen dat je helemaal niet gebeld wordt, maar ook dagen dat je 4 telefoontjes in een uur krijgt. Over het algemeen vallen het aantal telefoontjes heel erg mee. Een enkele keer moeten we tijdens een dienst in huis komen voor een spoedbestraling, maar dit is niet vaak en daar zijn bepaalde tijden voor ingepland, dat zal niet midden in de nacht zijn.

Mij valt het op dat je als dokter tegenwoordig meer achter je computer zit dan dat je bij de patiënt bent. De administratielast is enorm als dokter in het ziekenhuis. Is dat bij jou ook zo?
Ook wij hebben zeker onze administratie, maar ik denk dat de verhouding patiënten zien en administratie wel beter verdeeld is. Omdat we alleen poliklinisch werken bestaat de administratie van het werk vooral uit het voorbereiden van de poli en het maken van brieven. We hebben ruim de tijd tijdens het spreekuur, vaak wel 40 tot 60 minuten voor een nieuwe patiënt dus vaak red je het wel in die tijd je brieven te maken. Daarnaast hoort het voorbereiden van MDO’s er ook bij natuurlijk. En dan is er ook nog de administratielast van de opleiding: denk aan voorbereiden onderwijs, leren, planning maken, cursussen, declaraties etc., dat zal hetzelfde zijn als in het ziekenhuis.

Laatste vraag: heb je tips voor (jonge) dokters die twijfelen over hun opleidingskeuze?
Heel cliché, maar ik denk dat het belangrijkste is om dicht bij jezelf te blijven. Maak de keuzes vanuit je eigen intrinsieke motivatie en niet omdat anderen dat willen. Bepaal voor jezelf wat je belangrijk vindt in je leven en in je werk, en kijk dan welk vak daar het beste bij aansluit. Doe wat je zelf wilt, dan ben je op je best en word je het gelukkigst, daar ben ik van overtuigd.


Vind jij het leuk om ook iets te vertellen over het vakgebied waarin je werkt? Neem dan contact op en mail naar doktersdiehetandersdoen@gmail.com!


Blog 22; in gesprek met een sportarts

Deze week een blog over een specialisme dat zeker niet mag ontbreken op mijn website: sportgeneeskunde! Ik ga in gesprek met dokter Donna Blokland.
Wist je dat..?

  • Een sportarts er zeker niet alleen is voor topsporters! We zijn er voor iedereen die beweegt/sport of dat wil gaan doen en hier klachten bij ervaart.
    “Sportgeneeskunde is het medisch specialisme dat zich richt op het bevorderen, waarborgen en herstellen van de gezondheid van mensen die (willen gaan) sporten en/of bewegen. Ook richt het zich op het door sport en/of bewegen bevorderen en herstellen van de gezondheid van mensen met chronische aandoeningen. Bij beide facetten wordt uitdrukkelijk rekening gehouden met de specifieke belasting en belastbaarheid.”
    (Beroepsprofiel Sportarts, 2012)
  • Er in Nederland op dit moment 138 sportartsen, 37 aios Sportgeneeskunde en 25 sportartsen niet praktiserend zijn. *
    (*Disclosure: deze cijfer zijn gebaseerd op degenen die lid zijn van de Vereniging voor Sportgeneeskunde. Enkele sportartsen zijn dat niet, dus het werkelijke aantal ligt iets hoger).

Sportgeneeskunde mag natuurlijk niet ontbreken op mijn website! Waarom ben jij sportarts geworden?
De afwisseling binnen het vak sprak me erg aan. Enerzijds zie je patiënten/sporters met blessures, waarbij je je kennis van het bewegingsapparaat kunt inzetten. Als sportarts hou je je ook bezig met de inspanningsfysiologie; wat doen hart, longen en spieren bij inspanning, en waar zit een eventuele beperking? Tot slot doen veel sportartsen ook sportmedische begeleiding, waarbij je de medische begeleiding van bijvoorbeeld een voetbalteam verzorgt. In al deze diverse werkzaamheden neem je als sportarts altijd de balans tussen belasting en belastbaarheid mee. Verder is de patiëntenpopulatie erg gevarieerd: van beginnend (amateur) sporter tot topsporter, maar ook bijvoorbeeld hart- of oncologie revalidatie patiënten. Tot slot vind ik het ook gewoon erg leuk om met sport bezig te zijn, of dit nou privé of op werk is.

Donna Blokland, sportarts en teamarts KNVB Jong OranjeLeeuwinnen

Was het een lastige keuze of wist je direct wat je wilde?
Gedurende het tweede jaar van mijn geneeskunde opleiding kwam ik door een keuzeblok Revalidatie & Sport voor het eerst in aanraking met de sportgeneeskunde. Mijn interesse was direct gewekt, maar ik had zeker mijn keuze nog niet gemaakt. Eerlijk gezegd vond ik heel veel vakgebieden leuk; huisartsgeneeskunde, cardiologie, kindergeneeskunde, …. Pas bij de invulling van mijn laatste jaar van geneeskunde ben ik echt de richting van sportgeneeskunde opgegaan.

Toen je je keuze gemaakt had, kwam je toen gemakkelijk in opleiding?
Ik heb erg veel geluk gehad qua timing. De plek waar ik in opleiding ben gekomen (regio Utrecht) wilde het jaar van mijn sollicitatie iemand kiezen waarvan ze wisten dat diegene het vak echt leuk vond en goed in de groep zou passen. Ik had inmiddels een aantal co-schappen en een wetenschapsstage daar gedaan en ik paste blijkbaar goed in dat plaatje. Ik heb dus veel geluk gehad en ben in één keer aangenomen in mijn voorkeursregio.

‘Ik had zeker mijn keuze nog niet gemaakt, eerlijk gezegd vond ik heel veel vakgebieden leuk!’

Hoe ziet de sollicitatieprocedure eruit en waar kan je allemaal solliciteren?
De sollicitaties worden landelijk gecoördineerd via het opleidingsinstituut, de SBOS (Stichting Beroepsopleiding tot Sportarts). Er zijn op dit moment 10 opleidingsregio’s, waarvan er per jaar 7 een opleidingsplek hebben. Je solliciteert landelijk, waarbij je je voorkeursregio’s kunt aangeven en eventueel opleidingsregio’s kunt uitsluiten. Vervolgens word je (hopelijk) uitgenodigd voor een gesprek bij één of meerdere regio’s. Na de gesprekken wordt geprobeerd om de voorkeuren van de opleidingregio’s en de kandidaten zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen.

En hoe ziet de opleiding er vervolgens dan uit? Hoe lang duurt de opleiding?
De opleiding duurt 4 jaar. Ik heb nog het oude curriculum gevolgd, waarbij je begon met 9 maanden cardiologie en vervolgens 3 maanden longgeneeskunde. Het tweede jaar bestond uit een heel jaar orthopedie. Het derde en vierde jaar bestond uit 1,5 jaar sportgeneeskunde en (vaak verspreid) 3 maanden huisartsgeneeskunde en 3 maanden wetenschapstage.
In het nieuwe curriculum begin je gelijk met 3 maanden sportgeneeskunde, wat denk ik een goede verandering is! Verder is de orthopedie stage verkort naar 9 maanden.

Hoe zijn jouw dagen als sportarts eruit?
Als sportarts draai je in principe alleen spreekuren, je hebt geen afdeling of diensten (tenzij je sportmedische begeleiding doet, zie de vraag over diensten). Je doet deze spreekuren in een ziekenhuis of in een sportmedische instelling.
Op een spreekuur zie je patiënten met blessures, zoals patellofemoraal pijn syndroom, patellapeestendinopathie, schouder impingement etc.
Verder doe je ook regelmatig sportmedische onderzoeken, altijd bestaande uit anamnese en lichamelijk onderzoek, en afhankelijk van de indicatie uitgebreid met bijvoorbeeld ECG, spirometrie en inspanningstesten op de fiets- of loopband. De indicaties voor deze sportmedische onderzoeken zijn erg divers. Soms is er sprake van inspanningsgerelateerde klachten zoals dyspnoe, pijn op de borst of conditieverlies. Het kan ook in het kader van bijvoorbeeld hart- of oncologierevalidatie zijn, of begeleiding bij long-COVID patiënten. Een andere groep mensen zijn diegenen die op eigen initiatief komen, bijvoorbeeld omdat ze hun drempels willen weten of omdat een sportmedisch onderzoek verplicht is (zoals bij topsporters, maar ook voor bepaalde opleidingen).
Tot slot zijn veel sportartsen betrokken bij sportmedische begeleiding. Dit kan bij bijvoorbeeld een sportbond, club of evenement zijn. Zelf ben ik teamarts van de KNVB Jong OranjeLeeuwinnen. Hierbij ben ik, samen met de fysiotherapeut, verantwoordelijk voor alle sportmedische zaken. Denk hierbij aan o.a. blessure management, bewaken van belasting/belastbaarheid en voeding/hydratie. En natuurlijk de afgelopen tijd alles rondom COVID-19. Ik zeg gekscherend wel eens dat ik tegenwoordig meer COVID-19 dokter ben dan teamarts…
 
Wat vind je het allerleukst aan jouw baan? En wat het lastigst?  
Het allerleukste vind ik de vaak erg gemotiveerde patiënten populatie. Je moet hen over het algemeen eerder afremmen dan motiveren. Het lastige vind ik soms dat toch veel mensen (ook collega artsen) nog niet precies weten wat je als sportarts nou doet. Aan ons de taak om dit te veranderen!

Draai je ook diensten? En hoe zien die diensten eruit?
Nee, in principe niet. Maar als ik met de Jong OranjeLeeuwinnen weg ben op activiteit, dan ben je wel 24/7 beschikbaar. Dus dat zou je als dienst kunnen zien, maar het voelt heel anders dan de diensten die ik in het ziekenhuis heb gedraaid.

‘Het allerleukste aan mijn baan is de gemotiveerde patiëntenpopulatie!’

Hoe veel administratie heb jij? Is dat net zoveel als in het ziekenhuis?
Ik denk dat het niet zoveel verschilt met de spreekuren van andere specialisten in het ziekenhuis. Voor elke patiënt op je spreekuur heb je natuurlijk de gebruikelijke administratie: voorbereiding, statusvoering en brief naar de huisarts. Een inspanningstest uitwerken kan soms bij afwijkingen nog wel eens wat meer tijd in beslag nemen. Ook tijdens teambegeleiding houden we van de blessures en ziektes administratie bij.

Heb je tips voor (jonge) dokters die twijfelen over hun opleidingskeuze?
Zelf heb ik ooit tijdens een co-schap de tip gekregen om te kiezen voor het specialisme waarvan je de routine het minst vervelend vindt. Dat klinkt misschien wat negatief, maar ik vond het eigenlijk wel een mooie tip. Elk specialisme heeft natuurlijk dingen die je veel ziet en doet, dat wil je liever niet al na een jaar zat zijn.
Luister verder goed naar je gevoel en ontdek waar je je thuis voelt. Durf te twijfelen en rond te kijken. En durf ook buiten de ziekenhuismuren te kijken! Daar zijn ook nog zoveel mooie mogelijkheden: sociale geneeskunde, militaire geneeskunde, bestuurs- en advies functies etc.
 

Blog 21; in gesprek met een specialist ouderengeneeskunde

Deze week ga ik in gesprek met dokter Marina Goorts, specialist ouderengeneeskunde in opleiding.
Wist je dat..?
– Een specialist ouderengeneeskunde niet hetzelfde is als een geriater?
– Een specialist ouderengeneeskunde vaak werkzaam is in een verpleeghuis, vroeger werd dit dan ook verpleeghuisarts genoemd?

Wat leuk dat je iets willen vertellen over jouw werk! Vertel eens, hoe zien jouw dagen eruit als specialist ouderengeneeskunde (SOG) in opleiding?
 Ik volg de opleiding parttime, dat wil zeggen 3 dagen in het verpleeghuis en 1 dag in de schoolbanken in Nijmegen. Mijn werkweek bestaat uit visites van mijn eigen afdelingen, maar daarnaast heb ik veel vrije ruimte om zelf in te delen. Tijdens de visites neem ik door hoe het met de patiënten gaat en besteed ik aandacht aan preventie, om te zorgen dat patiënten zo min mogelijk naar het ziekenhuis hoeven. Ik stel hun medicatie voor suikerziekte in, houd hun hartfalen onder controle en kijk naar secundaire preventie voor beroertes. Naast mijn vaste afspraken ben ik flexibel om ruimte te maken om een Parkinson patiënt uitgebreid te onderzoeken of een moeilijk familie gesprek van een terminale patiënt te voeren. Tussendoor krijg ik telefoontjes met onverwachte dingen zoals een patiënt die is gevallen met een hechtwond of verdenking op een gebroken heup of bijvoorbeeld een plotselinge wegraking. Een verpleegkundige trieert tussen spoed en geen spoed, wat kan wachten komt op de wekelijkse visite, wat niet kan wachten ga ik direct naar toe. Daarbij werk ik vrij zelfstandig. Ik krijg altijd supervisie van een vaste specialist ouderengeneeskunde. Juist die afwisseling en de flexibele agenda is iets wat mij enorm aanspreekt! Als AIOS (Arts In Opleiding tot Specialist red.) heb ik een keer per week een leergesprek van een uur met mijn opleider waarin ik mijn leerpunten van die week en leerdoelen voor de toekomst bespreek. Het is confronterend omdat er een vergrootglas over je eigen handelen gelegd wordt, maar ook erg leerzaam om hier juist inzicht in te krijgen waardoor je enorm kan groeien.

Marina, specialist ouderengeneeskunde in opleiding

Waarom heb je gekozen voor SOG, was het een lastige keuze?
Ik vond het een hele moeilijke keuze! Sterker nog, tijdens de geneeskunde opleiding en mijn eerste jaren als ANIOS (Arts Niet In Opleiding tot Specialist red.) had ik het verpleeghuis nooit als optie overwogen. Het verpleeghuis had een suf imago en ik dacht dat mijn toekomst in het ziekenhuis lag, maar wist nog niet waar. Daarom heb ik er voor gekozen om na mijn afstuderen op de spoedeisende hulp te gaan werken, zodat ik van verschillende specialismen patiënten kon zien. Ik had daarbij de hoop dat ik na een jaar werken wel een beter idee zou hebben in welk specialisme mijn interesse zou liggen, maar helaas. Ik vond alles leuk, maar geen specialisme sprong er echt uit. Ik kon daarna de overstap maken naar de Intensive Care (IC) van een groot perifeer ziekenhuis, waar ik ook een jaar met veel plezier gewerkt heb. Maar ook daar kwam ik er achter dat ik nog iets miste. Ik vond acute zorg erg leuk, maar merkte dat ik juist ook veel energie haalde uit een praatje maken met patiënten als ze weer wakker werden na sedatie. Die praatjes waren altijd maar kort, want stabiele patiënten verlaten de IC weer snel. Ik vond het dan toch altijd jammer dat ik daarna niet meer zag hoe het verder met die mensen afliep. Na wikken en wegen en gesprekken met specialisten dacht ik dat wellicht de eerstelijnszorg toch meer bij mij paste. Vooral het langdurige patiëntencontact vind ik toch erg belangrijk, en daarom overwoog ik om huisarts te worden. Om de overgang van de IC naar de huisartsenpraktijk wat geleidelijker te laten verlopen, koos ik ervoor om eerst een jaar in het verpleeghuis te gaan werken voordat ik zou solliciteren voor de huisartsenopleiding.
Die overgang was enorm! Ik vond het in het begin echt moeilijk om te aarden in het verpleeghuis, omdat werkelijk alles anders is dan op de IC en heb zelfs even getwijfeld om te stoppen. Uiteindelijk heb ik bij de specialist ouderengeneeskunde aangeven waar ik tegenaan liep. Zij heeft met mij meegedacht en gekeken naar oplossingen die echt bij mij paste, dat was ik niet gewend vanuit het ziekenhuis. In het verpleeghuis word je echt gewaardeerd als persoon. Dat is de kracht van het verpleeghuis en maakt dat ik hier nog steeds werkzaam ben! Zo ben ik uiteindelijk geswitcht van de chronische zorg naar de revalidatie afdeling (GRZ), waar ik eerder nog niet bekend mee was. Het is het tussenstation tussen het ziekenhuis en thuis, waar mensen hard werken om te herstellen naar hun oude niveau. Vooral het werken naar een doel en potentieel ontslag naar huis vond ik erg leuk! Revalidatie heeft wel twee kanten en soms overlijden mensen, maar daardoor heb ik wel ingezien dat het soms ook heel mooi kan zijn als iemand accepteert dat hij of zij niet meer beter wordt. Ik kan ook juist heel veel voldoening halen uit het begeleiden van die laatste fase tot overlijden. Dat klinkt misschien vreemd, en dat was ik vanuit het ziekenhuis ook nooit gewend, maar dit heeft voor mij mijn ogen geopend. Je behandelt in het verpleeghuis niet alleen een ziekte, je behandelt een persoon. Juist de langdurige band die je met mensen opbouwt geeft mij veel voldoening. Soms moet je creatief zijn om te zoeken naar oplossingen. Binnen het verpleeghuis heb je daarin verrassend veel mogelijkheden en dat is juist iets wat mij erg aanspreekt. En zo ben ik dus blijven plakken in het verpleeghuis, die sollicitatie voor de huisartsenopleiding is er nooit meer gekomen.

‘Ik vond het een hele moeilijke keuze, ik heb zelfs overwogen om te stoppen!’

Hoe ziet de sollicitatie procedure voor een opleidingsplek SOG eruit?
Je schrijft een sollicitatie brief en er is een interview met de opleidingscommissie. Bij mij was het interview digitaal, dat zal wellicht voorlopig nog wel even zo blijven. Officieel wijst de universiteit je daarna een opleidingsplaats toe, maar in de praktijk is het ook mogelijk om zelf een plekje te vinden bij een verpleeghuis welke ook opleidingsplaatsen biedt.

En hoe ziet de opleiding er vervolgens dan uit?
De opleiding duurt 3 jaar. Het eerste en derde jaar zijn stages in het verpleeghuis, op de psychogeriatrie (PG)-afdeling, somatische afdeling en geriatrische revalidatie (GRZ). Het tweede jaar bestaat uit 6 maanden GGZ stage en 6 maanden ziekenhuis (afhankelijk van je eerdere werkervaring bijvoorbeeld neurologie, interne geneeskunde of geriatrie etc). Met eerdere werkervaring kun je soms korting voor de opleidingsduur krijgen.

‘De kracht van het verpleeghuis is dat ze echt kijken naar wat bij jou past. Het is afwisselend en je krijgt echt een band met je patiënten.’

Is het lastig om een opleidingsplek te bemachtigen. Wat zijn de criteria?
Met een goede motivatie en wat werkervaring heb je een redelijk goede kans om in opleiding te komen. Er wordt echt gekeken naar jouw kwaliteiten als persoon en of dat zou passen bij de doelgroep. En natuurlijk of je kunt samenwerken in multidisciplinaire teams, want dat doe je namelijk erg veel als specialist ouderengeneeskunde!

Wat vind je het allerleukst aan jouw baan? En wat het lastigst?  
Het leukste aan mijn baan vind ik het contact met mijn cliënten en nauwe samenwerking met collega’s. De cliënten op de chronische afdeling wonen in het verpleeghuis dus daarmee bouw je een goede band op. Sommigen zie je wekelijks, anderen wat minder. Juist het delen van kleine persoonlijke dingen vind ik erg leuk. En met collega’s werk je samen in een nauw multidisciplinair team. Naast je collega artsen heb je korte lijntjes met o.a. de fyiso-, ergo- en logopedie. We lopen geregeld bij elkaar binnen en is dit meestal erg gezellig.
Wat ik soms wel moeilijk vind, is het overlijden van mensen waar je een goede band mee opgebouwd hebt. In het ziekenhuis was een overlijden altijd vrij afstandelijk, meer een formaliteit. Omdat je in het verpleeghuis mensen beter kent, ben je hier automatisch ook nauwer bij betrokken. Maar als mensen vrede kunnen hebben met het overlijden en je kunt hen en hun familie hier goed begeleiden, kan ik hier juist ook veel voldoening uit halen.

Draai je ook diensten? En hoe zien die diensten eruit?
Ja zeker, diensten horen er bij. Het zijn altijd bereikbaarheidsdiensten, dus je bent in principe gewoon thuis en je telefoon staat aan. Ik heb meestal 1 dienst per week naast je reguliere werk, dit kan een avonddienst of dagdeel in het weekend zijn. Je kunt gebeld worden over te hoge glucoses of valincidenten, maar ook over een acuut benauwde patiënt of verdenking op een beroerte. Afhankelijk van je inschatting, geef je telefonisch advies of rijd je visite. Daarbij wordt verwacht dat je bij acute dingen binnen 30 minuten aanwezig kunt zijn.  Je hebt daarbij altijd een specialist ouderengeneeskunde als achterwacht, die je ondersteunt bij vragen of zo nodig een zieke patiënt mee komt beoordelen.

Hoe veel administratie heb jij? Is dat net zoveel als in het ziekenhuis?
Pfoe ja dat denk ik wel! Je schrijft alles op wat je doet, alleen op de chronische afdelingen krijgen mensen geen ontslagbrieven en dat scheelt wel heel veel. Wel zijn er regelmatig multidisciplinaire overleggen, waarbij de fysiotherapie, ergotherapie, logopedie, diëtetiek en psychologie samen met jou kijken naar de doelen van een cliënt. Dit wordt ook weer vastgelegd in het dossier.

Heb je tips voor (jonge) dokters die twijfelen over hun opleidingskeuze?
Vooral werkervaring opdoen op verschillende plekken en in verschillende ziekenhuizen of verpleeghuizen. Vraag ook vooral om een keer een dagje mee te lopen. In het verpleeghuis word je met open armen ontvangen! Mijn ervaring is dat het zo veel uitmaakt met wie je samenwerkt. Dus kijk vooral goed rond en schroom niet om te vragen om feedback waar specialisten of andere collega’s jou zouden zien werken en waarom. Wellicht geeft dit je nog nieuwe inzichten!

Blog 19; in gesprek met een verslavingsarts

Ik heb weer een aantal hele mooie verzoekjes gekregen! Zo vroeg iemand om een blog te maken samen met een verslavingsarts. Ik wist niet eens dat dat een apart specialisme was. Gelukkig is dokter Merlijn Campfens bereid om iets te vertellen over zijn werk in de verslavingszorg.

Merlijn, je werkt op een terrein dat niet iedereen zal kennen! Toch?
Klopt, ik werk als basisarts bij een instelling voor verslavingszorg in Brabant. Ik was ook niet echt bekend met het vakgebied, totdat ik als coassistent bij mijn coschap psychiatrie bij de verslavingsgeneeskunde terecht kwam. Hoe meer ik me er in verdiepte en er ervaring opdeed, hoe enthousiaster ik werd. Daarom is mijn eerste werkplek de verslavingszorg geworden.

Hoe zien jouw dagen er uit?
Ik werk op twee plekken in de organisatie: ambulant en in de kliniek. Ambulant betekent dat patiënten niet opgenomen zijn, ze komen langs zoals op een polikliniek. De kliniek zijn de opgenomen patiënten, dat is de High Care Dubbel Diagnose behandelafdeling. Op deze afdeling verblijven cliënten enkele weken tot maanden, ze hebben naast verslavingsproblematiek ook een andere diagnose zoals depressie, ADHD, schizofrenie of trauma. Het komt ook voor dat ze nog geen officiële diagnose hebben, ze starten dan eerst met de detox (het afkickproces), nadien volgt een diagnostisch traject voordat de daadwerkelijke behandeling kan beginnen. Het verschilt per werkplek hoe mijn dagen er precies uit zien. 

Kun je een beeld schetsen van een kliniekdag?
In de kliniek begint mijn dag met het ochtendoverleg om half 9. Dat is met iemand  van de afdeling (verpleegkundige of sociotherapeut) en verschillende soorten behandelaren. Denk hierbij aan een psycholoog, muziektherapeut of andere vaktherapeut, de psychiater en ik als arts. We bespreken de bijzonderheden per cliënt. Daarna volgt het artsoverleg waarbij alle artsen van de verschillende afdelingen samen komen. Daar bespreken we de bijzonderheden vanuit de avond/nachtdienst en de opnames van die dag.  Vanaf half tien bestaat mijn dag uit verschillende soorten consulten. Dit kan iemand zijn met oorpijn of slaapproblemen, een sportblessure of iemand die acuut detox klachten heeft. Of het betreft een opname- of ontslaggesprek. Ik doe ook ‘ongeplande’ zorg, dat is bijvoorbeeld wanneer iemand van zijn fiets is gevallen of acuut pijn op de borst krijgt. We kunnen vaak samen met de afdelingsverpleegkundigen en medicatie uit de werkvoorraad al veel doen, maar soms is insturen met een ambulance nodig. We zijn wel een kliniek maar geen ziekenhuis. 

‘Er zijn vaak veel vooroordelen, terwijl verslaving in elke laag van de bevolking van jong tot oud voorkomt’

Dat klinkt als een uiteenlopend takenpakket!
Dat is kenmerkend van de verslavingszorg: de brede blik. Het gaat niet alleen om het middel en de detox maar om het hele plaatje. Daarom beginnen we bij een nieuwe opname met een vrij uitgebreid gesprek waarin we de medische voorgeschiedenis bespreken, maar ook medicatie en allergieën, een verslavingsanamnese en tractus anamnese afnemen (vragen over allerlei lichamelijke klachten die een patiënt kan hebben). Maar het gaat ook over slaap, voeding, seksualiteit, iemands familie- en sociale status. Daarnaast doen we algemeen lichamelijk onderzoek (zoals hartslag, bloeddruk, onderzoeken van hart/longen/buik) en aanvullende onderzoek door middel van bloed prikken is onderdeel van de medische intake. Er is uiteraard veel aandacht voor de mentale aspecten en de psychiatrische anamnese. Ik ben natuurlijk geen psychiater, maar verzamel wel veel informatie: hoe zit iemand er bij? hoe voelt hij/zij zich? zijn er aanwijzingen voor wanen of andere psychotische klachten? is er sprake van suïcidaliteit? Al deze informatie is belangrijk bij het maken van een behandelplan voor de eerste detox periode en daarna. Ik doe als afdelingsarts niet alles zelf, de psychiater heeft ook een belangrijke rol in de behandeling en het (medicatie)beleid. Daarom overleggen we regelmatig laagdrempelig om zaken op elkaar af te stemmen.

Wat is er anders op je ambulante dagen?
In mijn ambulante werk is vooral de setting anders. De afspraken staan vooraf ingepland, met altijd wat ruimte voor nieuwe/acute dingen tussendoor. Inhoudelijk is er overlap met de kliniek, maar ik ben op een ander punt in het traject betrokken. Soms is het duidelijk dat iemand het beste in de gecontroleerde omgeving van de kliniek kan stoppen met het gebruik van middelen, bijvoorbeeld als iemand heel erg afhankelijk is zoals bij alcohol of GHB. Dan is thuis stoppen niet haalbaar en medisch ook niet vellig. Maar er zijn ook vele andere ‘routes’ om af te kicken mogelijk, een individueel afbouw/stop plan, de ambulante detox groep of met thuisbezoeken van ons IHT team (Intensive Home Treatment). Soms is volledig stoppen met een middel simpelweg niet haalbaar, of niet haalbaar op dat moment. Dan is het richten op stabilisatie en beperken van de schade.

Waarom heb je gekozen voor dit specialisme, hoe heb je die keuze gemaakt?
Tijdens de opleiding was ik  aan het twijfelen over verschillende specialismen. Ik wist uiteindelijk wel dat ik de beschouwende kant op wilde en niet per se in het ziekenhuis wilde werken. Dan blijft er nog steeds best veel over. Ik heb toen goed gekeken wat ik precies zo leuk vond per vakgebied, maar ook naar wat er ontbrak. Bij bedrijfsgeneeskunde miste ik het behandelaspect, in het ziekenhuis miste ik vaak het begeleidingsstuk. Ik vond de interne geneeskunde erg interessant, maar ik miste er de verbinding met de psychiatrie. Alle aspecten die ik zocht komen, in de juiste balans, terug in de verslavingszorg. Het is een combinatie van somatiek (lichamelijke klachten) en psychiatrie, van medisch inhoudelijke zaken met ook aandacht voor sociale aspecten, en een klinische setting maar niet het ziekenhuis. Daarnaast werk ik veel zelfstand, maar tegelijkertijd ook in een multidisciplinair team. Maar ook de afwisselende problematiek en diverse groepen patiënten maakt het zo leuk! Nadat ik klaar was met mijn studie Geneeskunde heb ik gesolliciteerd voor mijn huidige baan. Nu, ongeveer een jaar later, ben ik alleen maar zekerder geworden van mijn keuze en wil ik dan ook de vervolgopleiding tot verslavingsarts gaan volgen.  

‘Probeer de keuze voor een specialisme te zien als een jouw persoonlijke route. Kijk wat je allemaal leuk vindt en probeer zo de puzzelstukjes te combineren’

Wat heb je nodig om verslavingsarts te worden?
Dat heeft mijn collega Ad van Hoek in de Arts in Spe van mei 2014 treffend geformuleerd: ‘De functie verslavingsarts vraagt om mensenkennis en een grote dosis inlevingsvermogen: zo behoor je stressbestendig, communicatief vaardig en flexibel te zijn en dien je te beschikken over goede gesprekstechnieken en een luisterend oor. Ook moet je bereid zijn om te blijven leren en in staat zijn om op basis van klinische ervaringen en wetenschappelijke kennis beslissingen te nemen in zeer complexe situaties. Daarnaast dien je open te staan voor kritiek en feedback van collega’s. Tevens is het essentieel dat je goed met teleurstellingen om kunt gaan: veel cliënten krijgen immers een terugval.’

Is het lastig om een opleidingsplek te bemachtigen. Wat zijn de criteria? 
De opleiding Verslavingsgeneeskunde is ondergebracht bij de afdeling Eerstelijns Geneeskunde van het Radboud UMC. Het is een opleiding met weinig plekken (circa 20 per jaar). Maar er zijn ook niet heel veel aanmeldingen. Het is echt niet dat 200 artsen solliciteren voor die 20 plekken. In principe kan elke (basis)arts solliciteren, ook huisartsen en artsen die een carrière switch willen maken kunnen de opleiding gaan doen.

Hoe ziet de sollicitatie procedure voor een opleidingsplek eruit?
Ik ga me binnenkort aanmelden met een motivatiebrief en mijn Curriculum Vitae. Na de briefselectie volgt een sollicitatiegesprek.

En hoe ziet de opleiding er vervolgens dan uit? Hoe lang duurt de opleiding?
De huidige opleiding duurt twee jaar. Hierbij volg je één dag per week cursorisch onderwijs en werk je vier dagen per week in de praktijk onder begeleiding van een opleider en werkbegeleider. De opleiding is ingedeeld in verschillend modules, van neurobiologie tot psychiatrie, van verslavingsgeneeskunde tot gespreksvaardigheden. Een belangrijk onderdeel is wetenschappelijke ontwikkeling en klinisch redeneren. Maar ook Public Health (preventie en beleid), leiderschap en zorgcoördinatie komen aan bod.
De opleiding wordt mogelijk uitgebreid naar drie jaar, maar de financiering hiervan moet eerst rond zijn. Dit is uitgesteld vanwege de (tot voor kort) demissionaire status van het kabinet. Dit extra jaar zou bestaan uit externe stages buiten de verslavingszorg zoals op de spoedeisende hulp. Ook los van dat extra jaar gaat de inhoudelijke doorontwikkeling van de opleiding door. Voor meer informatie zie: https://www.radboudumc.nl/onderwijs/scholingen/opleiding-tot-verslavingsarts

Wat vind je het allerleukst aan jouw baan? En wat het lastigst?  
Het leukst vind ik het contact met de cliënten, de behandelrelatie die je opbouwt tijdens de behandeling en begeleiding. Het gaat echt niet altijd over puur medische zaken maar vooral wat voor iemand belangrijk is. Dat kan van alles zijn: grip op zijn/haar leven terug krijgen, een betere gezondheid, gelukkiger voelen, beter relatie met familie, terug aan het werk gaan na uitval. Juist de combinatie zoals eerder genoemd maakt dat ik het een uitdagend, afwisselend en dynamisch vak vind. Je kunt echt een groot verschil maken in iemands leven op een hele persoonlijke manier. Telkens op een andere manier, want steeds zijn verschillende dingen belangrijk, de ene keer ligt de nadruk op de stemmen die iemand hoort, de andere keer staan de lichamelijke klachten op de voorgrond. De ene cliënt vertelt uitgebreid en veel, bij iemand anders moet het vertrouwen eerst groeien. Ik vind het een uitdaging om mijn communicatiestijl af te stemmen op de betreffende persoon en te zoeken naar gemeenschappelijke taal en onderling begrip.
Het herstelproces verloopt vaak met vallen en opstaan. Iemand die na enkele maanden behandeling succesvol en abstinent de kliniek uit gaat, kan twee weken later terug zijn na een harde terugval thuis. Je moet dan geduld hebben en positief blijven: “wat goed dat je weer hulp hebt gezocht” in plaats van “ben je hier nu alweer?” De kleine stapjes in de goede richting, de lichtpuntjes die iemand weer terug vindt in het leven, dat vind ik  heel mooi om te zien.

De chroniciteit van de problemen vind ik soms juist lastig.  Er is natuurlijk geen magisch medicijn of simpele oplossing die voor iedereen gegarandeerd werkt. Het liefst wil ik bijdragen aan duurzaam herstel, iemand ondersteunen, een luisterend oor bieden en ervoor zorgen dat iemand zich weer gezien voelt. Ik merk regelmatig dat er veel vooroordelen zijn over het vakgebied en de patiënten. Verslaving is een complexe, diverse en ingrijpende ziekte. Verslavingsproblematiek zit in alle lagen van de maatschappij, van jong tot oud, bijna iedere arts heeft met deze groep in meer of mindere mate te maken. Of je nu huisarts, bedrijfsarts of medische specialist in het ziekenhuis bent. Deze groep is vaak kwetsbaar en heeft juist extra tijd en zorg nodig i.p.v. een extra lading (voor)oordelen. Maar door de problemen zitten ze vaak ook hun eigen proces in de weg.

Draai je ook diensten? En hoe zien die diensten eruit?
Jazeker, de kliniek is 24/7 zorg, dus draai ik als arts  mee in de telefonische bereikbaarheidsdiensten voor vragen vanuit de klinische afdelingen. Als basisarts heb ik ook een achterwacht om op terug te  vallen. Als arts ben ik weer de voorwacht van de psychiaters.  De diensten zijn heel wisselend qua inhoud en drukte, de ene keer zijn het een paar korte medicatie vragen, de andere keer is het een ingewikkelder probleem, bijvoorbeeld als iemand psychotisch dreigt te ontregelen bij een GHB detox. Soms is een visite noodzakelijk, dan stap ik in de auto en kom ik iemand beoordelen. Dit gebeurt niet heel vaak. In acute spoedeisende situaties duurt het natuurlijk te lang voordat ik er ben. Dan belt de afdeling zelf een ambulance, bij twijfel bellen ze eerst  voor overleg. Sinds ongeveer een half jaar hebben we een samenwerking met een organisatie die met huisartsen diensten doet voor verschillende zorgorganisaties. Zij hebben de weekenddiensten overgenomen en ook de bereikbaarheid later op de avond en ’s nachts.

Hoe veel administratie heb jij? Is dat net zoveel als in het ziekenhuis?
De hoeveelheid administratie is wat wisselend, maar ik ontkom er zeker niet aan. Ik kan het niet een op een vergelijken met het ziekenhuis, het is inhoudelijk en qua structuur net iets anders. Het is de kunst om duidelijk, maar ook volledig te zijn. Hetzelfde dossier wordt ook door andere zorgverleners gebruikt zoals psychologen of andere behandelaren. Veel administratie ligt ook bij anderen: uitschrijfbrieven, behandelplannen, vragenlijsten en tussentijdse rapportages, dat hoef ik als arts niet allemaal zelf te doen.

Heb je tips voor (jonge) dokters die twijfelen over hun opleidingskeuze?
Ik zou willen adviseren om die afweging als een eigen persoonlijke route te zien. Te beginnen bij de vraag: wat voor soort dokter wil ik worden? Waar liggen mijn talenten en belangstelling en waar komen die het beste tot zijn recht? Zelfs als je een bepaald specialisme echt niet ziet zitten, kun je toch kijken welke onderdelen  je aanspreken. Door meer op de losse ingrediënten te letten, zie je soms ineens overeenkomsten die je daarvoor niet zag. En dan kun je onderzoeken waar deze onderdelen (deels) samen komen. Zo vond ik het urologie onderdeel van mijn chirurgie coschap best leuk, ondanks dat ik absoluut niet de kant van chirurgie of urologie op wilde. Ik ontdekte dat het de afwisseling was die me daar aansprak. Huisartsgeneeskunde is erg afwisselend, maar voor mij is daar de doorloop te snel. Zo ben ik van elk vakgebied puzzelstukjes gaan verzamelen die in mijn puzzel passen. Een puzzel die nooit helemaal af zal zijn maar ik heb nu de hoekjes en de meeste randjes compleet.  


Vragen voor Merlijn? Of zonder Instagram en Facebook toch op de hoogte blijven van nieuwe blogs? Stuur een mailtje naar doktersdiehetandersdoen@gmail.com

Blog 17; in gesprek met een huisarts in opleiding

Een blog over huisartsgeneeskunde kan natuurlijk niet ontbreken! Een van de meest gekozen specialisme, zo’n 30% van alle dokters wordt uiteindelijk huisarts. Sommige weten dat al vroeg in de opleiding, sommige kiezen voor de huisartsopleiding na een aantal jaar als basisarts in het ziekenhuis gewerkt te hebben en zelfs een aantal switcht tijdens hun opleidingstijd tot specialist in het ziekenhuis! Het huisartsenvak bestaat al eeuwenlang, maar heeft pas sinds 1971 een gerichte opleiding die drie jaar duurt na de Geneeskunde opleiding. Dat betekent dat de huisartsopleiding dit jaar zijn 50-jarig jubileum viert!
Ik ga deze week in gesprek met huisarts in opleiding Faizah. Een stoere dokter die van actie houdt, maar ook van écht communiceren met patiënten.


Faizah, wat leuk dat je iets willen vertellen over jouw werk! Vertel eens, hoe zien jouw dagen eruit?
Wat leuk dat ik wat mag vertellen over mijn werk! Ik ben HAIO (huisarts in opleiding) en werk parttime, dat wil zeggen één dag per week les en drie dagen per week op mijn werkplek. Die werkplek is in het eerste en derde jaar de huisartsenpraktijk, het tweede jaar bestaat uit stages op de spoedeisende hulp, de chronische zorg (bijvoorbeeld het verpleeghuis) en de psychiatrie. Ik heb zojuist mijn stage psychiatrie afgerond en ben daarmee aanbeland in het laatste jaar van mijn opleiding welke ik volg bij een huisartsenpraktijk in Eindhoven. Op de dagen in de praktijk doe ik spreekuur, rijd ik visites, doe ik ingrepen en pleeg ik telefoontjes. Daarnaast heb ik dagelijks een leergesprek van ongeveer een uur met mijn opleider waarin we ingewikkelde patiënten casus bespreken, of onderwerpen waarover ik nog kennis wil opdoen, manieren van communicatie, hoe je samenwerking met bijvoorbeeld de assistentes het beste aanpakt enzovoorts. Tijdens de lesdag ben ik van half 10 tot half 5 op de opleiding. De lessen variëren, van kennis tot wetenschap en van heftige gebeurtenissen delen met elkaar tot consulten bekijken, er komt van alles aan bod. Daarnaast zijn de lesdagen ook erg gezellig, ik heb altijd erg leuke groepsgenoten en na de lessen gaan we regelmatig nog even richting het terras voor een drankje.

Wanneer wist je dat je huisarts wilde worden?
Pfoe, dat is een hele weg geweest! Een van mijn laatste coschappen deed ik op de spoedeisende hulp omdat ik nog geen idee had wat ik wilde doen. Ik vond bijna alle coschappen erg leuk en wilde een combinatie van denken en doen. Op de spoedeisende hulp zei één van de huisartsen in opleiding daar al dat ze mij huisarts zag worden. Ik wist dat allemaal nog niet zo zeker, ik had tijdens mijn huisartsen coschap niet zo’n klik met mijn begeleider wat dit coschap erg kleurde. Daarnaast zijn bijna alle coschappen in het ziekenhuis waardoor je toch geneigd bent om alleen maar over een specialisatie in het ziekenhuis na te denken. Na de spoedeisende hulp heb ik een coschap bij de anesthesie gedaan, dit was direct een match! De fysiologie begrijpen vond ik fantastisch, het was de juiste combinatie van denken en doen, samenwerken is erg belangrijk en je komt af en toe acute problematiek tegen. Daarnaast vond ik anesthesiologen ontzettend leuke mensen waar ik mezelf wel tussen zag staan, kortom ik was eruit! Ik zat helemaal op mijn plek.
Ik ben ik op de intensive care gaan werken van een groot perifeer ziekenhuis, wat een logische stap is om in opleiding te komen tot anesthesist. Ook daar zat ik helemaal op mijn plek, ik heb daar heel fijn gewerkt, leuke collega’s (soms iets te leuk, ik ben daar mijn huidige vriend tegengekomen haha 😉), maar ik merkte dat ik wat miste. Ik vond het heerlijk als ik wat meer tijd had in bijvoorbeeld het weekend om eens naast de patiënt te zitten en te praten met die patiënt. Wat betekent zo’n ingrijpende IC-opname voor deze patiënt? Hoe beleeft hij of zij dit? Ook gesprekken over wel of niet behandelen bleven mij bij, hier haalde ik veel voldoening uit. Ik begon te twijfelen en een aantal verpleegkundigen op de IC vertelde me dat ze me zo goed vonden in communicatie en het zonde vonden als ik anesthesie ging doen (je patiënten slapen natuurlijk het grootste deel van de tijd). Ook merkte ik dat ik graag in Brabant wilde blijven, ik was mijn leven aan het opbouwen wat betreft woonplek en vrienden. Ik bewonder het altijd heel erg als mensen het hele land doorverhuizen voor hun werk, dat is niet aan mij besteed, en is wel iets wat erbij kan horen bij een specialisatie in het ziekenhuis. De anesthesie opleiding bijvoorbeeld zit alleen in de academische ziekenhuizen en Nieuwegein, en als je eenmaal klaar bent moet je vaak op zoek naar werk als specialist waarbij verhuizen soms noodzakelijk is. Huisartsen zitten overal, de opleiding was in de buurt en er is veel werkgelegenheid. Dat bij elkaar maakte dat ik koos voor het huisartsenvak.

Heb je daarna nooit meer getwijfeld?
O, zeker wel! Ik ben zelfs begonnen aan de opleiding tot anesthesioloog!
Toen ik weer een instabiele patiënt op de IC had kreeg ik daar zoveel adrenaline van waardoor ik weer twijfelde en uiteindelijk voor de anesthesie koos. Ik besloot een knoop door te hakken en solliciteerde voor de opleiding tot anesthesioloog in Zuid-Limburg. Een week na mijn sollicitatiegesprek ging het mis. Ik kreeg een ernstige ooginfectie waarbij een bacterie van de ene op de andere nacht mijn hoornvlies aangetast en ernstig beschadigd had. Ik werd opgenomen in hetzelfde ziekenhuis als waar ik had gesolliciteerd en zag nagenoeg niets meer met mijn linkeroog. Het was onduidelijk of dat ooit nog terug zou komen. Een week met intensieve behandeling in het academische ziekenhuis volgde met veel emotie en verdriet. Het zou drie maanden gaan duren voordat ik wist of mijn zicht zou terugkeren. Ik was plotseling bezig met vragen als ‘kan ik überhaupt nog wel als arts werken?’ ‘Kan ik ooit nog autorijden?’. Toen ik eenmaal weer thuis was werd ik gebeld dat ik was aangenomen. Ik mocht eerst als ANIOS (Arts Niet In Opleiding tot Specialist) aan de slag, als dat goed zou bevallen zou ik een paar maanden later in opleiding gaan tot anesthesioloog. Omdat ik bang was dat ze me niet meer zouden aannemen met mijn slechte oog heb ik hier niks over gezegd. Achteraf had ik dit natuurlijk anders moeten aanpakken, maar door alle emotie is het erg lastig om alles te overzien op zo’n moment.
In de donkere, natte wintermaanden begon ik dagelijks aan mijn reis richting het zuiden (een uur heen en een uur terug ) en de lange dagen (contract van 48 uur plus alle vergaderingen en onderwijs). Ik zat elke ochtend huilend in mijn auto, ik zag links niets, alle lampen waren halo’s, het was donker en het was doodeng om weer in de auto te stappen, maar ik zette door want ik wilde de opleidingsplek zo graag! Na zes weken kon ik niet meer, ik had er geen rekening mee gehouden dat plotseling slecht zicht zoveel energie kostte, kijken doe je immers de hele dag en mijn hersenen waren niet gewend aan het slechte oog en de halo’s. Ik ging naar de bedrijfsarts en werd ziek gemeld. Verschrikkelijk vond ik dat, maar het zette me wel aan het denken over wat echt belangrijk is: heb ik dit allemaal over voor de anesthesie? word ik hier gelukkig van? Ik belde de inmiddels huisarts op die ik op de spoedeisende hulp had leren kennen en ging met haar in gesprek en liep een dag mee op de huisartsenpraktijk. Bij de anesthesie mocht ik terugkomen als ik was opgeknapt en wilden ze me een opleidingsplek geven. Ik stond voor een erg moeilijke beslissing. Moest ik een opleidingsplek ‘weggooien’ voor het onbekende (ik wist natuurlijk niet of ik zou worden aangenomen bij de huisartsopleiding)? En ik voelde me schuldig tegenover al die mensen die anesthesist wilden worden. Uiteindelijk heb ik de knoop doorgehakt en ben ik voor de huisartsenopleiding gegaan, daar ben ik nog steeds heel erg blij mee!

Dat klinkt als een lastige tijd!
Ja, dat was het zeker. Het voelde een tijd alsof mijn gezondheid de beslissing voor mij heeft gemaakt en dat vond ik lastig. Nu zie ik het ziek zijn als het moment waarop ik tijd had om te realiseren wat nu écht belangrijk is voor mij in mijn werk. Communicatie met de patiënt, laagdrempelige zorg dichtbij huis en een band opbouwen met mijn patiënten!

Wat fijn dat je nu zo goed op je plek zit! Welke eigenschappen denk jij dat je nodig hebt om een goede huisarts te zijn?
Ik denk dat de communicatie key is in het huisartsenvak! Je anamnese is je belangrijkste tool. Hier wordt dan ook veel aandacht aan besteed tijdens de opleiding. Daarnaast is het belangrijk dat je je goed kan inleven in je patiënt en empathie kan tonen. Ook moet je snel kunnen schakelen, elke 10 of 15 minuten een andere patiënt, een spoedpatiënt tussendoor, telefoontjes. Het overzicht houden is hierbij erg belangrijk.

‘Het leukst is de band met de patiënt, je komt bij mensen thuis en bent betrokken in het hele gezin!’

Hoe ziet de sollicitatie procedure voor een opleidingsplek eruit?
De sollicitatie is landelijk geregeld, je solliciteert dus niet op één plek maar voor de huisartsopleiding in het algemeen. Je stuurt een motivatiebrief en je CV op. Als je door deze selectie komt maak je een toets, de LHK. Dit is te vergelijken met de VGT (Voortgangstoets), die je elke 3 a 4 maanden maakt tijdens je geneeskunde opleiding, maar dan iets korter gelukkig haha. Als je de toets haalt volgen er twee gesprekken. Deze gesprekken zijn anders dan “normale” sollicitatiegesprekken, er wordt naar casussen gevraagd die je hebt meegemaakt op verschillende domeinen zoals samenwerken of communicatie. Je analyseert dan wat er gebeurde, wat er goed ging, maar vooral wat je er voor leerpunt uithaalt. Zelfreflectie en je kwetsbaar durven opstellen zijn hierbij erg belangrijk. Dat laatst was een verademing voor mij aangezien dit veel meer bij me past dan de mentaliteit die er vaak in het ziekenhuis heerst waarbij je geen “zwakheden” mag laten zien.

Maar kan je dan ook aan de andere kant van het land geplaatst worden voor de opleiding? Er zijn 8 opleidingsinstituten in Nederland, waarvan sommige nog dependances hebben in bijvoorbeeld Eindhoven of Zeeland. Je mag je voorkeur aangeven en ze proberen je te plaatsen op de plek van voorkeur, maar dat lukt natuurlijk niet altijd.

Is het lastig om een opleidingsplek te bemachtigen. Wat zijn de criteria?
Het tijdperk van “ik kan altijd nog huisarts worden als iets anders niet lukt” is een beetje voorbij denk ik. Er zijn 750 plekken per jaar verdeeld over twee startmomenten (maart en september). Er solliciteren vaak meer dan 500 artsen per ronde voor dus ongeveer 375 plekken, dus niet iedereen wordt aangenomen. Echter is de kans op een opleidingsplek wel groter dan in het ziekenhuis. Toen ik solliciteerde voor de anesthesie waren er 4 plekken waar 40 kandidaten voor waren.
Wat betreft criteria: je hebt niet perse ervaring nodig, maar ik adviseer altijd om ervaring op te doen, bij welk specialisme dan ook. Je eerste echte doktersbaan is al spannend genoeg, laat staan dat je er meteen een opleiding naast moet doen. Het is fijn om eerst de tijd te hebben om dokter te leren zijn. Rijden leer je ook veel beter nadat je je rijbewijs al hebt gehaald 😉. Mijn advies zou zijn om ervaring op te doen in het verpleeghuis of bij de psychiatrie, dit wordt erg gewaardeerd tijdens de sollicitatie. Spoedeisende hulp kan ook erg handig zijn, hier zie je natuurlijk ook patiënten van allerlei specialismen. Maar eigenlijk is elke ervaring handig, van interne geneeskunde tot kindergeneeskunde en van gynaecologie tot urologie, alles komt voorbij in de huisartsenpraktijk!

Is je salaris anders dan dat van een ANIOS in het ziekenhuis?
Ja dat scheelt wel iets. Vanaf de intensive care is mijn salaris helaas bergafwaarts gegaan haha. Ik kon maximaal 2 ervaringsjaren opgeven toen ik aan de huisartsopleiding begon, dus ik werd wat hoger ingeschaald, maar ik verdien ongeveer €500 euro minder dan in het ziekenhuis, maar dat vind ik niet erg!

Wat vind je het allerleukst aan huisarts (in opleiding) zijn?

Het allerleukste vind ik de band met de patiënt! Tijdens mijn coschappen en op de IC heb ik niet kunnen ervaren hoe het voelt om langdurig contact te hebben met een patiënt en vertrouwen te krijgen waarbij de patiënt je alles vertelt en je alles mag vragen. Hier haal ik de meeste voldoening uit. Je komt bij mensen thuis en bent vaak betrokken bij het hele gezin. Als iemand overlijdt vind ik het wel zwaarder dan op de intensive care, daar kende je de patiënt niet echt en iemand ziet er vaak niet meer uit zoals op de foto’s van voordat ze ziek werden. Nu bouw je een band op met de patiënt en zorg je maanden intensief voor iemand. Het is erg mooi en waardevol om hier onderdeel van te kunnen zijn en om dit op een prettige manier voor patiënt en familie te laten verlopen.

Draai je ook diensten? En hoe zien die diensten eruit?
Jazeker! In je eerste en derde jaar zit je in een huisartsenpraktijk en draai je diensten op de huisartsenpost. Dit moeten er in totaal 20 per jaar zijn, en kan een avond-, nacht- of weekenddienst zijn. Tijdens het tweede jaar ga je naar de SEH en draai je gewoon mee in het dienstrooster.

‘Mijn tip: praat erover en onderzoek je twijfel!’

Wat zijn jouw toekomstplannen? Waar sta je over 10 jaar?
In de toekomst wil ik in eerste instantie graag waarnemen. Dit geeft vrijheid wat betreft je uren en diensten, wat met een jong gezin makkelijk te combineren is. Over een eigen praktijk heb ik nog wat twijfels. Aan de ene kant lijkt het me erg fijn om zorg te leveren zoals je dat zelf graag wilt, aan de andere kant ben ik totaal geen ondernemer. Investeren in je collega’s vind ik wel interessant, maar het financiële stuk niet. Gelukkig is het steeds gebruikelijker om een praktijkmanager te hebben. Nog genoeg om over na te denken. Ik zie mezelf wel een aanvullende kaderopleiding doen, urogynaecologie vind ik erg interessant en verdieping van mijn vak zou me denk ik meer passen dan het ondernemerschap.

Heb je tips voor (jonge) dokters die twijfelen over hun opleidingskeuze?
Goede vraag.. Ik denk dat het belangrijk is om te bedenken hoe je je werk in jouw leven ziet en wat de belangrijke dingen voor jou zijn in het leven. En vooruit denken kan helpen, al is dit erg lastig. Als je 25 bent en net afstudeert kan die baan waarbij je 60 uur per week werkt helemaal geen probleem zijn, maar 10 jaar later, als je een gezin hebt, hoe zie je dit dan voor je? Hierdoor zie je steeds meer dokters die in opleiding waren tot specialist of zelfs al klaar met de opleiding toch switchen van baan en bijvoorbeeld de huisartsenopleiding doen.
Oh en praat erover en onderzoek je twijfel! Helaas wordt dat met name in het ziekenhuis niet gedaan is mijn ervaring. Jammer dat twijfel een taboe is, ik denk dat dit heel normaal is en dat ook specialisten wel eens twijfelen aan hun vak. Ik heb recent nog goede gesprekken gehad toen ik de intensivisten met wie ik een aantal jaar heb gewerkt weer tegen kwam op de spoedeisende hulp. Toen ik mijn verhaal vertelde waren zij ook wat meer open. Ook zij twijfelden weleens en ook zij werden niet altijd gelukkig van hun werk, hier wordt alleen helaas vaak niet over gepraat.


Op de hoogte blijven van alle nieuwe blogs? Volg dokters die het anders doen op instagram of meld je aan voor de mailinglist door een mail te sturen!

Blog 16: Dokter én moeder zijn, hoe doe je dat?

Zoals jullie weten schrijf ik blogs op verzoek!
Deze week spreek ik daarom met twee toppers van dokters én moeders! Want hoe combineer je het ouderschap met een drukke baan als dokter?
Ik ga in gesprek met Gabby, anesthesioloog in opleiding, maar momenteel fulltime promovendus en sinds maart 2021 moeder van een dochtertje, en Cecile, die recent de opleiding tot SEH-arts afrondde en in april 2021 moeder werd van zoontje Joes.

Gabby en Cecile, wat super dat jullie ons mee willen nemen in jullie leven als dokter en moeder. Hoe ziet jullie werkweek eruit?
Gabby: Momenteel doe ik fulltime onderzoek, dat wil zeggen dat ik 38 uur per week bezig ben met mijn promotie. Ik was net gestart met mijn tweede jaar van de opleiding tot anesthesioloog toen ik besloot deze tijdelijk te pauzeren zodat ik kon promoveren. Vanaf januari zal ik mijn opleiding tot anesthesioloog parttime herstarten en in mijn vrije tijd mijn promotie afronden. Dat zal best pittig worden met een baby, maar het scheelt dat ze tegen die tijd alweer 9 maanden is.
Cecile: Ik ben SEH-arts KNMG. Je treft me op een goed moment, want ik heb mijn opleiding nét afgerond. Ik heb vooralsnog dus alleen als moeder gewerkt tijdens mijn AIOS (Arts In Opleiding tot Specialist) periode. Ik werkte als AIOS 80% wat neer kwam op 36 uur in de week. Dat zijn vier diensten per week. Een werkweek op de SEH bestaat uit zeven dagen in plaats van vijf, dus mijn vier diensten zijn niet per definitie tussen maandag en vrijdag. Het is een pittige baan met veel onregelmatigheid. Een vloeiende overgang met thuis dus aangezien het leven met een kind ook volkomen onregelmatig is haha. Maar ik geniet van de onregelmatigheid en afwisseling! Een 8.00-18.00 uur baan zou niets voor mij zijn. Naast de diensten houd ik me bezig met onderwijs, cursussen en onderzoek. De voorbereiding en uitvoering daarvan moet vaak in je eigen tijd.

Cecile, wat is voor jou de grootste verandering geweest sinds je moeder bent?
Het ritme! Voordat ik een kindje had vond ik dat onregelmatige van mijn werk juist erg fijn. Natuurlijk is het niet leuk als iedereen in het weekend vrij is en ik niet mee kan naar een feestje omdat ik dienst heb, maar verder genoot ik van de afwisseling. Juist de avonddiensten vond ik heerlijk. Lekker druk beginnen en dan (hopelijk) een beetje rustiger afsluiten aan het einde van de avond, op de fiets naar huis, douchen en naar bed. De volgende ochtend kon ik dan uitslapen en de dag rustig starten. Even de stad in, koffie drinken of lunchen met een vriendin, maar een baby houdt geen rekening met hoe laat ik naar bed ga. Als ik om 1.00u in bed lig, is 6.00u een baby voeden wel heel vroeg…
En ik ben wat gemakkelijker geworden, vroeger wilde ik echt alles tot in de puntjes voorbereid en af hebben. Dat is een stuk lastiger met een baby thuis! Natuurlijk moeten bepaalde dingen af, maar als ik ergens niet aan toe kom (omdat ik het in mijn eigen tijd had moeten doen), dan kan ik gemakkelijker zeggen; helaas, volgende keer beter. Ik weet niet of dat echt komt doordat ik moeder ben geworden, of gewoon doordat ik wat ouder ben geworden. 

Gabby, hoe ziet je werkweek er vanaf januari uit als je weer aan de slag gaat als anesthesioloog in opleiding?
Ik ben dan weer 4,5 dagen per week aan het werk op het OK-complex in het ziekenhuis. Vrijdagmiddag hebben we altijd onderwijs. Daarnaast starten en eindigen we elke dag met een overdracht waarin op basis van de casuïstiek van die dag elkaar wat wordt geleerd. Op andere momenten wordt er onderwijs gegeven door een collega AIOS. De werkdagen variëren in welke dienst je hebt, in het begin doen we bij ons nog geen nachtdiensten, maar de andere varianten hebben we wel. Ik weet dat ze de diensten bij alle opleidingslocaties net wat anders doen. Dus sommige hebben wel direct nachtdiensten. De diensten vind ik het leukst en meest uitdagend! Kortom, leerzame dagen waarbij alles direct in de praktijk wordt gebracht! 

‘Je kunt je gewoon niet voorstellen hoe het is om ineens moeder te zijn’

– Cecile

Jullie zijn beide begin dit jaar moeder geworden. Hoe was dat?
Gabby: Het is heel bijzonder om zo’n afhankelijk mensje te hebben die direct onvoorwaardelijk kiest voor jou. Je leeft natuurlijk al langere tijd naar het moment toe dat je moeder wordt, je leest alle boeken, blogs, en alles wat je aanschaft gaat door een hele kritische keuring heen. Dat is eigenlijk op zich al bijzonder, want op andere materialistische keuzes in je leven bereid je je ook niet zo goed voor. Ik heb hiervoor altijd vooral op mijn gevoel keuzes gemaakt en me enigszins ingelezen. Nu had ik bedacht; ik wil het beste maar voor een eerlijke, redelijke prijs. En ik heb me suf gelezen en gegoogled, haha. Van matras en fles tot luier-emmer en nagelvijl… echt alles heeft een blog met een advies om het op een bepaalde manier te doen. Je wordt er gek van! Er is altijd een andere mening te vinden die het kiezen lastiger maakt. En dan blijkt vervolgens dat je kind die ene flessenspeen niet pakt, maar een andere wel. Kortom het is heel mooi en bijzonder, maar er gaat ook echt een bizarre wereld voor je open.
Cecile: Heel bijzonder! We hadden een heel gek jaar achter de rug waarin onze bruiloft werd geannuleerd vanwege COVID-19 en het traject om zwanger te worden werd stil gelegd. Gelukkig kon dat halverwege de zomer opgestart worden en was ik snel zwanger, maar de bruiloft werd voor de tweede keer uitgesteld door een harde lockdown en inmiddels was ik dus al 4 maanden zwanger. We wilden getrouwd zijn voordat de kleine zou komen, dus uiteindelijk zijn voor de wet getrouwd, maar de échte dag moet dus nog komen. De laatste loodjes op de SEH waren pittig. Het is toch wel even iets anders om met een dikke buik over een drukke spoed te banjeren! Je kunt je voorstellen dat ik wel toe was aan mijn verlof! Ik had verlof midden in de lockdown en kon dus niet echt ‘leuke’ dingen doen. Voordeel daarvan was wel dat ik veel thuis was en kon uitrusten (dat is volgens mij ook waar het verlof eigenlijk voor bedoeld is haha). Nadat Joes geboren was hebben we het ook met bezoek heel rustig aan gedaan. Geen drie kraambezoeken per dag gelukkig! Er mocht één iemand per dag op bezoek komen. Dat hebben wij als heel prettig ervaren, omdat het daardoor voor ons, maar vooral ook voor Joes veel rustiger was. Ik vond het heerlijk om lekker te wandelen en dat heb ik dan ook heel veel gedaan. Het was heel fijn om lekker lang vrij te kunnen zijn met je kindje. Er is zoveel waar je aan moet wennen! Mensen vragen weleens of het is zoals ik had verwacht, maar eerlijk gezegd; je kunt je gewoon niet voorstellen hoe het is, om ineens moeder te zijn! Er is gewoon zoveel waar je nog nooit over hebt nagedacht! 

Hoe was het voor jullie om weer aan het werk te gaan na je verlof?
Gabby: Omdat ik in mijn onderzoeksperiode zit kon ik prettig en rustig opstarten hoe dit voor mij het beste paste. Zo kon ik zelf beslissen dat ik na 10 weken een keer een halve dag ging werken in het ziekenhuis, of kon ik thuis achter de laptop even wat gaan schrijven. Ik vond het prettig om mezelf te oriënteren op wanneer en waar kolven, maar ook qua energieniveau en loskomen van je baby vond ik het fijn om alvast te oefenen. Persoonlijk was ik na 12 weken verplicht verlof helemaal klaar met 24/7 alles voor mijn baby doen. Ik was altijd al heel slecht in thuis zitten en het huishouden doen, haha. Nu met een baby erbij is het zeker heel anders hoor. En het was ook echt heel fijn om zoveel tijd met je kersverse kindje door te brengen, maar als ze zo klein zijn heb je nog zo weinig interactie en draait alles om voeden, slapen, huid-op-huid contact en luiers. Naast natuurlijk je eigen herstel van de bevalling. Dat had ik wel gezien na 3 maanden! De combinatie van werken en daarna thuiskomen om nog even die voeding te doen en te knuffelen is perfect! Ook even die hersenen laten draaien op een inhoudelijk hoger niveau met volwassen gesprekken in plaats van jezelf bezig houden met de vraag of deze kleur poep wel/niet normaal is om vervolgens maar weer eens google erbij te pakken. Maar pittig was het in het begin wel, met name de hele planning er omheen. Zodra ik aan het werk was, liep het gewoon. Maar tegen het einde van de werkdag begon die planning weer; tot hoe laat zal ik nog op het werk kolven, kan ik op tijd thuis zijn om nog te voeden etc. maar na enkele dagen stel je jezelf die vragen niet meer, dan zit je gewoon in de flow en gaat alles vanzelf. 
Cecile: Ik had na mijn verlof nog wat vakantie opgenomen, dus ben uiteindelijk 12 weken na de bevalling weer aan het werk gegaan. Ik had gedacht dat ik niet kon wachten om weer aan het werk te gaan, maar dat viel wel mee, haha! Ik vond het wel lekker zo thuis met een baby. Al merkte ik toen ik eenmaal weer aan het werk was, dat het ook wel heel fijn was om weer iets te hebben waarin ik meer kon zijn dan alleen moeder. Dokter Cecile i.p.v. mama Cecile ;). Het werken vind ik goed te combineren met een baby! Natuurlijk vind ik het niet leuk als ik thuis wegga voor een dienst en Joes achter moet laten bij de oppas of zijn mama, maar eenmaal op het werk is het helemaal prima. Aan het einde van de dag is het dan wel weer heel leuk om naar huis te gaan. Niets is fijner dan lekker knuffelen met een baby (nog beter; je eigen baby) nadat je een hele drukke en soms ook heftige dienst hebt gehad. 

Wauw, wat een hardwerkende moeders zijn jullie. Hoe doe je dat allemaal?
Gabby: Veel steun van familie, goed plannen/communiceren en efficiënt werken. Ik denk dat dat mijn mantra is en vooral die steun is erg belangrijk. Zonder hadden ik en mijn man meer compromissen moeten maken op onze hobby’s bijvoorbeeld. Nu kunnen we eigenlijk nog bijna alles doen wat we voorheen ook deden. Het is niet dat we beide geen compromissen willen maken, want we hebben beide 1 dag per week vrij van werk zodat we er volledig voor ons kindje kunnen zijn bijvoorbeeld. Maar de hobby’s die we hebben en het contact met vrienden is ook waar we energie uit halen. Wij vonden dat we daar niet teveel op in moeten leveren. Ik vind daarnaast mijn werk echt ontzettend leuk en ga er elke dag met veel plezier naartoe, dat zorgt er natuurlijk ook voor dat dit weinig stress veroorzaakt. 
Cecile: Ik werkte al parttime, maar ik heb ervoor gekozen om nog iets minder te gaan werken. De ene week vier diensten, de andere week drie diensten. Daarnaast geef ik dan nog les aan verpleegkundigen en co-assistenten, dat vind ik super leuk om te doen! Omdat mijn werk onregelmatig is en ik parttime werk scheelt dat qua opvang voor Joes. Hij gaat één dag in de week naar de opvang en wij hebben allebei een vaste vrije dag. Dan hebben we het geluk dat de opa’s en oma’s willen en kunnen oppassen. Zij zijn ook flexibel en kunnen eventueel een dag ruilen als dat beter uitkomt. In het weekend is mijn vrouw, Eefje, (meestal) thuis voor Joes. Soms ben ik toevallig vrij op een dag dat er opvang voor Joes is, of op de dag dat Eefje ook vrij is. Joes gaat dan gewoon naar de opvang, zodat ik even wat tijd voor mezelf heb, of juist nog dingen voor werk/de opleiding af kan maken. Maar als we samen vrij zijn genieten we even extra van de tijd met elkaar. Op die manier zorgen we er ook voor dat we niet volledig langs elkaar heen leven. 

‘Ik doe alles waar ik als jong meisje van droomde’

– Gabby

Gaat jullie kindje ook naar de opvang Gabby?
Onze dochter gaat 2 dagen per week naar de opvang en 1 dag per week gaat ze naar mijn ouders. Daarnaast hebben wij zelf dus 1 dag per week vrij om samen te zijn met onze dochter. Voor mij is het de perfecte combinatie om 4 dagen te werken en 3 dagen met mijn dochter te hebben. Mijn man zou in de toekomst wel terug willen naar 3 dagen werken in plaats van 4. 

Wat doet jullie partner voor werk?
Gabby: Mijn man maakt websoftware en heeft een kantoorbaan. Dit helpt ook echt in de dagelijkse planning gezien hij geen avonden of weekenden hoeft te werken. Het zou veel meer gepuzzel zijn als hij ook diensten zou moeten draaien. Nu komt het alleen een enkele keer voor dat hij naar een evenement moet. Maar dan kunnen we dus terugvallen op ons grote familie netwerk die met liefde komen oppassen. 
Cecile: Mijn vrouw is momenteel bezig met het afronden van haar promotieonderzoek. Daar is ze behoorlijk druk mee en wat ze zeggen is echt zo; de laatste loodjes wegen het zwaarst! Wat na de bevalling heel fijn was, is dat zij nagenoeg volledig thuis werkte door COVID-19. Zij kon daardoor toch af en toe even helpen als het allemaal druk was en heeft daardoor heel bewust veel meer meegekregen van die eerste weken dan het geval zou zijn geweest als ze wel vier dagen in de week naar het ziekenhuis had gemoeten.

Hoe doen jullie dat met (nacht)diensten?
Gaby: Ik ga gewoon een nachtdienst doen wanneer dat zo is, haha. Gelukkig sliep onze dochter altijd heel goed waardoor we we snel terug konden naar 1 nachtvoeding. In de verdeling die we hadden gemaakt deed mijn man de nachtvoeding sowieso al, dus het enige wat voor hem veranderde was dat hij de ochtendvoeding erbij had. Dit is zeker pittig voor hem hoor! Maar als het niet al te vaak voorkomt, is dat wel te doen. Het is ongelofelijk hoeveel je ineens kan hebben voor je eigen kind. Zoals veel ouders zeggen: ‘ik snap niet hoe ik dat toen allemaal heb gedaan’. Dat gaat zeker op! En gek genoeg vergeet je ook snel hoe zwaar het was. Mijn dochter is nu bijna 8 maanden; slaapt door van 19-7u, heeft nog maar 5 flessen en eet al best wat vast voedsel. Ik kan me nu al niet meer voorstellen hoe het was toen ze 4 maanden was; waarbij ze meer sliep dan ze wakker was op een dag en ze nog 8 flessen kreeg (waarvan 3 in de tijd dat ze nu slaapt). Je groeit heel snel mee als ouder en het went ook snel. 
Cecile: Tot nu toe heb ik nog geen nachtdiensten gehad omdat ik nog borstvoeding geef. Dan hoef je tot 6 maanden na de bevalling geen nachtdiensten te doen. Ik ben dus wel heel benieuwd hoe dat straks gaat worden, die nachtdiensten! 

Heb je wel eens negatieve reacties gehad op je zwangerschap? Voelde je je bezwaard?
Gabby: Nee, ze zijn in ieder geval niet tegen mij geuit. Mensen dachten het misschien wel, haha. Ik vond het wel heel spannend om het tegen mijn begeleiders van mijn promotietraject te vertellen. Ik was bang dat ze inderdaad zouden zeggen dat het onverstandig was om zwanger te raken gezien de ambities die ik heb. Dus ik had mijn betoog al gemaakt in mijn hoofd. Maar ik heb mezelf eigenlijk nooit hoeven verdedigen. Dat was wel echt een geruststelling! Tegenover collega’s heb ik me nu ook niet bezwaard gevoeld omdat ik sowieso al geen diensten deed vanwege mijn onderzoek. Dus er heeft niemand roostertechnisch nadelen van ondervonden. Ik kan me echter heel goed voorstellen dat ik me wel bezwaard zou hebben gevoeld als ik mijn collega’s zou belasten met extra diensten. Vooral ook omdat ik mezelf gedurende de hele zwangerschap lichamelijk goed voelde, dus ik zou het wel hebben gekund denk ik. (Even buiten beschouwing gelaten wat nachtdiensten doen met jezelf en je kindje tijdens een zwangerschap.)
Cecile: Ik heb geen negatieve reacties gehad. Het is voor het rooster natuurlijk niet fijn dat je zwanger bent en geen nachtdiensten doet, maar ik heb het zo vroeg mogelijk aangegeven, zodat er met de roosterplanning rekening gehouden kon worden.

Geef je borstvoeding? Hoe doe je dat op werkdagen?
Gabby: Tip van Flip voor borstvoeding; niet bezuinigen op een kolfapparaat! Ik moest elke dag 30 minuten rijden naar mijn werk. Ik had een kolfapparaat op accu en kon daardoor in de auto kolven en op elke willekeurige plek in het ziekenhuis. Geen stopcontact nodig, alleen lopend water zodra ik klaar was. Dit maakt het combineren van werk met borstvoeding zoveel flexibeler. En verder zodra je gaat werken investeren in huid-op-huidcontact in de avonden om je productie goed te houden en natuurlijk om te wennen aan zo weinig bij elkaar zijn plotseling. Een baby voelt dat feilloos aan.  
Cecile: Ja, ik geef borstvoeding en dat verliep vanaf het begin gelukkig heel erg goed. Ik vind het super waardevol om mijn zoontje op die manier groot te kunnen brengen. Tijdens het werk had ik geluk dat ik door de afronding van mijn opleiding zogenoemde supervisie diensten deed. Daarmee kon ik alvast ‘oefenen’ hoe het is om straks echt de eindverantwoordelijkheid te hebben als SEH-arts. Groot voordeel hiervan was dat ik daarvoor boventallig ingepland werd. Dit maakte dat ik heel gemakkelijk even 20 minuten weg kon om te kolven. Als dat niet zo was geweest was het denk ik veel moeilijker geweest om de borstvoeding vol te houden. Ik merkte dat al op dagen dat ik niet overgepland stond. Dan heb je gewoon echt niet altijd tijd om even rustig te gaan zitten. Ik vergat dan soms ook weleens dat ik moest kolven… niet oké natuurlijk. Maar gelukkig is dat niet zo vaak gebeurd. 

Hebben jullie nog tips?
Gabby: Eigenlijk is het allerbelangrijkste dat je voor jezelf een goed moment kiest om moeder te worden. Die afweging kan je alleen zelf maken: zijn jij en je partner er klaar voor, is thuis alles zo ver op orde dat er een baby bij kan, wat is het handigste qua timing met een eventuele opleiding (qua stages, dienstbelasting, grote examens) en heb je een plan B en C voor de tegenvallers. Zodra je daar een idee van hebt, werkt hopelijk de natuur een beetje mee, want het is helaas niet iedereen gegeven. Voor mij was het de beste keus om het te doen tijdens mijn onderzoeksperiode waarin ik geen diensten had, ik mijn eigen tijd kon plannen en geen grote deadlines had. En de natuur werkte ook mee. Laatste tip: ontdek en bewaak je grenzen. Je verliest jezelf snel in de dagelijkse drukte, dus communiceer goed met je partner om te voorkomen dat je een burn-out krijgt. Maar laat je ook niet direct uit het veld slaan bij een uitdaging! Alles draait om balans in je energiegevers en -vreters. 
Cecile: Een goed moment kiezen is belangrijk, maar aan de andere kant is er geen perfect moment. Nog niet als je ANIOS bent, want tja je moet nog in opleiding komen, maar ook niet meteen nadat in de opleiding ben. Dan maar beetje aan het einde van de opleiding? Nou ja, dat is ook wel weer heel druk… Net na de opleiding is alleen ook niet handig, want dan moet je solliciteren voor een plek als specialist. Kortom; het komt nooit uit. Maar het is super leuk! En het komt wel goed. In elke fase is er wel een draai aan te geven. Dus probeer die planning ook een beetje los te laten! 


Vragen of opmerkingen? Stuur een e-mail of een bericht op Instagram.
Heb je geen Facebook of Instagram en wil je wel op de hoogte gehouden worden van nieuwe blogs, meld je dan nu aan voor de mailinglist.